Sonnet LXVI is Shakespeares meest politieke sonnet. Wolf Biermann zong het in Oost-Duitsland en gebruikte de tekst om er al zijn boosheid en frustratie over een onrechtvaardig, ontmenselijkend systeem onder te verstoppen. Sjostakovitsj heeft het op muziek gezet, waarschijnlijk om precies dezelfde reden. Helen Vendler noemt het sonnet in haar commentaar een masque, naar de woordeloze spektakels die men in de zestiende eeuw graag optuigde: een optocht van misstanden en kwaden, die aan de spreker voorbijtrekt en waar hij alleen maar van verlost wenst te zijn, totdat hij aan zijn liefde denkt. Daarbij zijn de misstanden ook nog eens zo actueel, dat het lijkt alsof Shakespeare onze tijd beschrijft, met zijn perverse politiek, zijn omkering van waarheid en leugen en zijn misogynie.

Het is een sonnet dat in de literatuur betrekkelijk weinig aandacht heeft gekregen, misschien omdat de critici de opsommende vorm, ‘And…, And…, And…’, met steeds één kwaad per regel, te saai of te stijf vonden. Het is ook een gedicht waarbij, zoals we eerder bij sonnetten XXIX en XXX zagen, één lezing zo voor de hand ligt, dat die andere interpretaties onmogelijk lijkt te maken. Die lezing is: het leven is zwaar ruk en je zou er soms van verlost willen zijn, als het niet voor de liefde was. Laten we kijken of we die al te simpele lezing kunnen compliceren.






Eind 2018 verscheen het nieuwe lesboek voor het VWO-eindexamen filosofie: Het goede leven en de vrije markt. Een ongekend actueel schoolboek, over de schaduwkanten van de globaliserende markt, over de menselijke en ecologische kosten van het kapitalisme en over de mogelijkheid om in dialoog met filosofen van vroeger en nu alternatieven te formuleren. De jury van de Socratesbeker 2019 prees de ‘grote filosofische openheid’ waarmee de drie auteurs, Ad Verbrugge, Govert Buijs en Jelle van Baardewijk, ‘op een zorgvuldige manier de verschillende filosofische tradities’ hadden gewogen. Eigenschappen die je graag ziet in een schoolboek en die de leerlingen zelf aan de dag moeten leggen op het examen. Een van de voornaamste exameneisen is immers dat ze ‘verschillende filosofische posities ten aanzien van een vraagstuk beargumenteerd’ kunnen innemen en ‘vanuit verschillende perspectieven’ kunnen redeneren. Toch klonk er ook kritiek op de conservatieve inslag van het boek. ‘Eh juf? Toch even vragen,’ schreef Sjoerd de Jong in het NRC. ‘Als dit neutrale lesstof is, eet ik mijn schrift op.’
wel ze nieuwe titels dragen, zijn de arbeidsverhoudingen en de grijns hetzelfde gebleven. ‘Ik heb nu een reisbureau opgericht, gespecialiseerd in zeereizen,’ legt Verramsj uit. ‘Zij zijn het A.U.B. – algemeen uitvoerend bestuur – en ik ben O.K. – organiserend kapitein.’ Weer later zijn de roeiers ‘allemaal prijswinnaars van een wedstrijd die ik georganiseerd heb en ze hebben allemaal een zeereis gewonnen, exclusief de kosten.’
