Tagarchief: filosofie

Kun je deradicaliseren met Spinoza?

Het raakte de afgelopen maand een beetje ondergesneeuwd onder het nieuws uit Amerika, corona en de toeslagenaffaire: begin januari maakte burgemeester Halsema bekend dat de gemeente Amsterdam ambtenaar Saadia Ait-Taleb in 2017 ten onrechte had ontslagen. Onder burgemeester Eberhard van der Laan was ze beschuldigd van fraude, corruptie, omkoping en valsheid in geschrifte, maar een strafonderzoek liet niets heel van die beschuldigingen. Ait-Taleb had alleen leiding gegeven aan een merkwaardige en mislukte gemeentecampagne om jongeren te deradicaliseren, ontwikkeld op basis van de filosofie van Spinoza. Het is de moeite waard om terug te kijken op dat experiment met toegepaste filosofie: was het project bij voorbaat een tot mislukken gedoemd waanidee? Of zou je in principe kunnen deradicaliseren met Spinoza?

‘All in the game’: individu en instituties in twee afleveringen van The Wire (1)

Een van de allereerste shots, in de allereerste aflevering van het eerste seizoen van The Wire vertelt veel, zo niet alles over wat deze serie bijzonder maakt. We zien op de voorgrond een slachtoffer op straat liggen, maar wazig: de camera is gefocust op de rechercheur en de getuige die verderop op een betonnen trapje zitten. In deze serie gaat het niet om wie er op de voorgrond staat – of ligt. In het audiocommentaar bij deze aflevering zegt producent David Simon:

This show is really about the American city and about how we live together and it’s about how institutions have an effect on individuals. And how regardless of what you’re committed to, whether you’re a cop, a longshoreman, a drug dealer, or a politician, a judge, a lawyer, you are ultimately compromised and must contend with whatever institution you’ve committed to.’

Goed leven kan niet zonder tegengeluid

Afbeeldingsresultaat voor goede leven en vrije marktEind 2018 verscheen het nieuwe lesboek voor het VWO-eindexamen filosofie: Het goede leven en de vrije markt. Een ongekend actueel schoolboek, over de schaduwkanten van de globaliserende markt, over de menselijke en ecologische kosten van het kapitalisme en over de mogelijkheid om in dialoog met filosofen van vroeger en nu alternatieven te formuleren. De jury van de Socratesbeker 2019 prees de ‘grote filosofische openheid’ waarmee de drie auteurs, Ad Verbrugge, Govert Buijs en Jelle van Baardewijk, ‘op een zorgvuldige manier de verschillende filosofische tradities’ hadden gewogen. Eigenschappen die je graag ziet in een schoolboek en die de leerlingen zelf aan de dag moeten leggen op het examen. Een van de voornaamste exameneisen is immers dat ze ‘verschillende filosofische posities ten aanzien van een vraagstuk beargumenteerd’ kunnen innemen en ‘vanuit verschillende perspectieven’ kunnen redeneren. Toch klonk er ook kritiek op de conservatieve inslag van het boek. ‘Eh juf? Toch even vragen,’ schreef Sjoerd de Jong in het NRC. ‘Als dit neutrale lesstof is, eet ik mijn schrift op.’

Paulus en de olifant (3)

(Vervolg van deel 1 en deel 2)

Zoals aan het slot van het vorige stuk aangegeven is Paulus in de jaren negentig onder atheïstische filosofen populair geworden. Van der Heidens verklaarde doel in Het uitschot en de geest: Paulus onder filosofen is om de daaropvolgende discussie ‘nu ook in het Nederlandse taalgebied te ontsluiten’, maar dat is te bescheiden. Hij probeert om de thema’s, doelstellingen en argumenten van de betrokken denkers systematisch in kaart te brengen en te wegen, waarbij hij ze ook nog toetst aan de teksten van Paulus. Zo’n ambitieus boek is er bij mijn weten tussen alle bundels van de laatste tien jaar nog niet eens in het Engels verschenen.

Zizek en Badiou

Zizek en Badiou

De ‘spelers’ in dit veld, kondigt de auteur aan, zijn ‘Heidegger, Taubes, Badiou en Agamben – met de neurotische entertainer Žižek als onvermoeibare reserve’. De namen zijn bekend voor wie de discussie heeft gevolgd, maar de ad hominem waarmee Van der Heiden Žižek naar de reservebank stuurt valt uit de toon bij de omzichtige, secure stijl van zijn boek. Verderop in het eerste hoofdstuk  kondigt hij aan dat ‘we zullen zien dat de filosofen de vraag naar de Messiaanse gebeurtenis stellen in discussie met het denken van Hegel, die in feite een moderne, gedynamiseerde versie van een monisme biedt. Paulus’ beginsel van de geest, zo betogen de filosofen, biedt een alternatieve opvatting van de geest voor die welke Hegel in zijn dialectische begrip van de wereldgeest uitwerkt.’

Paulus en de olifant (2)

(Vervolg van deze recensie)

Een interessante opmerking van Van der Heiden is dat in de recente herwaardering voor de antieke cultuur ‘het thema van de levenskunst’ overheerst. Hedendaagse geïnteresseerde lezers hebben volgens hem geen behoefte aan ‘weten omwille van het weten alleen’, maar vooral aan een bezinning op ‘levenshoudingen en levenswijzen’ van antieke voorgangers, waar ze zichzelf aan kunnen spiegelen. Dat verklaart misschien waarom een boek als dat van Meijer zoveel beter verkoopt dan de jaloersmakend heldere inleiding Paulus en de rest van Lietaert Peerbolte.

Blinde monniken en een olifant (Japan)

Bij die laatste komt naast het theologische ook het historische perspectief het beste uit de verf. Omdat hij in een slothoofdstuk bovendien stilstaat bij de discussie over Paulus onder filosofen, is hij feitelijk de enige die de olifant vanuit alledrie de genoemde vakgebieden heeft onderzocht. Zijn boek behandelt het ‘Nieuwe Perspectief op Paulus’, recentelijk nog op dit blog beschreven. Het Nieuwe Perspectief heeft sinds de jaren zeventig korte metten gemaakt met de dominante protestantse uitleg van wet en genade en onderstreept dat de apostel altijd een Jood is gebleven. Lietaert Peerbolte laat echter overtuigend zien dat sommige pleitbezorgers ervan zich vergalopperen, als ze concluderen dat Paulus nooit met de wet gebroken heeft en dat zijn bezwaren tegen de wet alleen voor niet-Joden gelden. De apostel houdt er een dualistische voorstelling van de wet op na: als een geestelijke voorstelling van rechtvaardigheid en als een letterlijk stelsel van regels. Die eerste ‘wet’ is uitgedrukt in Jezus’ gebod van de liefde, ‘want wie de ander liefheeft, heeft de hele wet vervuld’, en de tweede is door Jezus buiten werking gesteld.

Als je je schaamt om niet onbeschaamd te zijn

http://www.rembrandtpainting.net/rmbrndt_1636-1654/1636-54_images/susanna.jpgDe vorige keer had ik het over het jarenlang populaire onderscheid tussen schaamteculturen (het klassieke Griekenland en Rome) en schuldculturen (het christendom en de moderne samenleving). Bernard Williams heeft in 1993 overtuigend laten zien dat dat onderscheid op zand gebouwd is. Of liever gezegd, op onuitgesproken waardeoordelen (schaamteculturen zijn oppervlakkiger en kennen geen echt moreel besef) die ook nog eens ongefundeerd zijn: de helden van Homerus en Sophocles maken wel degelijk hun eigen morele keuzes en aanvaarden hun verantwoordelijkheid evengoed als de personages van Shakespeare en Dostojevski.

Hoe staat het met de verwante gedachte dat het in het christendom niet meer om schaamte voor anderen, maar puur om persoonlijke schuld tegenover God gaat? En dat we sinds de opkomst van het christendom in feite in een typische schuldcultuur leven? Ook die theorie kan op het eerste gezicht plausibel lijken, maar is moeilijk te verdedigen. In de eerste plaats omdat we elke dag worden geconfronteerd met allerlei moderne schaamte- en schanderituelen: Jon Ronson heeft daarover net So You’ve Been Publicly Shamed geschreven. In de tweede plaats omdat ook het christendom zelf op geen enkel moment in zijn lange geschiedenis een pure schuldcultuur is geweest.

Lof van de schaamte

Achilles en Patroklos

De Griekse en Romeinse beschaving waren typische schaamteculturen, schreef E.R. Dodds in 1951, het christendom zette de toon voor een schuldcultuur. In een schaamtecultuur draait het handelen om eergevoel, reputatie en het beeld dat anderen van je hebben. In een schuldcultuur gaat het om geweten, om een verinnerlijkt besef van zondigheid en om het afleggen van persoonlijke verantwoording. Het onderscheid bleef dominant tot ver in de jaren negentig, toen ik het aan de universiteit moest leren.

Dat dat onderscheid zoveel weerklank vond was niet alleen omdat het een lekker duidelijke scheidslijn trok tussen twee tradities. Achteraf gezien sloot het verhaal van schaamte en schuld ook goed aan bij de onuitgesproken Kantiaanse vooronderstellingen van veel moderne wetenschappers: het idee dat schaamtegevoelens overheersen in een meer primitieve fase van de morele ontwikkeling, als je nog geen benul van goed, kwaad en verantwoordelijkheid hebt en alleen bezorgd bent om ‘hoe anderen je zien’ (vaak genoemd voorbeeld: de held Ajax, die voor zijn strijdmakkers een pleefiguur slaat en er dan meteen maar een eind aan maakt).

Griekse slaven, bootvluchtelingen van de oudheid

Dat de oude Grieken zich niet bekommerden om het lot van slaven en wij moderne mensen wel, in elk geval sinds de negentiende eeuw, laat volgens sommige moderne moraalfilosofen mooi zien hoeveel morele vooruitgang we in de tussentijd hebben geboekt. Er is van veel kanten kritiek gekomen op dat simplistische en nogal zelfingenomen plaatje, maar de felste aanval was misschien wel in Bernard Williams’ briljante Shame and Necessity (1993), dat ik in mijn studietijd las en de afgelopen dagen weer eens heb opengeslagen.

Williams maakt gehakt van de theorie dat de Grieken geen ontwikkeld moreel besef zouden hebben gehad of dat een gevoel voor verantwoordelijkheid pas later zou zijn uitgevonden. Wat de slavernij betreft: in de ogen van de meeste Grieken was ze een keiharde economische noodzaak. Daaruit volgde dat er nou eenmaal mensen moesten zijn (andere mensen, bij voorkeur barbaren) die als slaven dienden. Volgens Williams gold het vooral als een kwestie van pech, als jij toevallig zo iemand was.

Een verhaal met twee Kanten (1)

De bekendste anekdote over Kant is dat zijn dagelijkse wandeling door Koningsbergen altijd zo precies op dezelfde tijd plaatsvond, dat zijn stadgenoten er hun klokken op gelijk konden zetten. Veel mensen zien in dat verhaal een biografisch bewijs voor het saaie beeld dat ze al hadden gevormd uit zijn teksten en ideeën: het beeld van een fantasieloze, droge geest die alleen regels kende, maar geen passies. Wie zich iets meer in hem verdiept, ziet al snel dat het tegenovergestelde het geval was. De regelmaat in zijn persoonlijke leven en de wetmatigheden waar hij in zijn boeken naar zocht waren voor hem middelen om niet ondersteboven te worden geblazen door de storm van zijn gevoelsleven, waar hij vaak over heeft geschreven.