Tagarchief: film

Wit privilege: het middelpunt van het feestje

Een open brief aan Han van der Horst over Wit is ook een kleur

Beste Han,

cc foto: mjeckerMet de documentaire Wit is ook een kleur heeft Sunny Bergman weer een steen in de vijver van de Nederlandse identiteit gegooid. Het klotst nog steeds aan de oevers, bijvoorbeeld in de gesprekken van mensen die zich voor het eerst bewust lijken te worden van hun eigen witheid en van de bijbehorende voorrechten. Mij heeft de film onder meer aan het denken gezet over de witheid van mijn vriendenkring, over de keuzes die ik als vader maak en over de criteria die we op school gebruiken om leerlingen te bevorderen of een sanctie op te leggen. Het oppervlak van mijn zelfbeeld deint ook nog na, omdat ik weer eens geconfronteerd ben met het verschil tussen wat ik bewust denk en wat ik onbewust doe.

Bij sommige recensies kreeg ik de indruk dat ze zoveel mogelijk bezwaren op elkaar stapelden, om de pijnlijke lading van de film maar niet tot het volle bewustzijn te laten doordringen. Ze deden me denken aan het verhaal van Freud over een man, die er door zijn buurman van werd beschuldigd dat hij een geleende ketel had teruggebracht met een barst erin. “Toen ik de ketel terugbracht was hij nog helemaal heel,” verdedigde de man zich. “Bovendien zat die barst er al in. Trouwens, wat klets je nou? Ik heb nooit een ketel van jou geleend.”

Gelukzoekers zijn geen mensen

De Marx Brothers portretteerden zichzelf in hun films als schaamteloze gelukzoekers. In tegenstelling tot Chaplin deden ze geen moeite om de diepere menselijke waardigheid van hun marginale personages te benadrukken. Juist daarom kunnen ze ons vandaag de dag nog iets leren over de ideologie achter de toenemende vreemdelingenhaat.

Naamloos1

Aandeelhouders en verstekelingen

“Ik ben een vreemde hier,” zegt Chico tegen Groucho op een feestje. “Wat dacht je dat ik was,” antwoordt Groucho, “één van de vroege kolonisten?” Zo’n tachtig jaar geleden stelden de Marx Brothers (zelf tweede generatie allochtonen, net als Aristoteles en Spinoza) in al hun films het migratievraagstuk impliciet en vaak ook expliciet aan de orde. In Monkey Business (1931) spelen de broers vier verstekelingen, verstopt in haringvaten aan boord van een oceaanstomer. Groucho en Chico doen zich voor als aandeelhouders en als de kapitein ze niet gelooft (“Jullie lijken meer op een stel verstekelingen!”) reageert Groucho: “Vergeet niet, mijn beste man, dat de aandeelhouder van gisteren de verstekeling van vandaag is.” Ondertussen steken ze ook nog de draak met de anti-immigratiewetgeving van de jaren twintig, toen in Amerika de quota per regio ingevoerd werden. Na weer een abominabele woordgrap van Chico kijkt Groucho in de camera en zegt: “Dit is nou precies waarom de immigratie aan banden gelegd moet worden.” In de hilarische douanescène proberen de vier broers Amerika binnen te dringen met het gestolen paspoort van Maurice Chevalier.

Hoe Mozes in een vrijheidsbeeld veranderde

Eind 2014 wordt Exodus van Ridley Scott verwacht en met Gods and Kings van Ang Lee lijkt er nóg een blockbuster over Mozes in de maak te zijn. Wat zal Hollywood deze keer doen met de legendarische Rode Zee-wandelaar? Een recente boektitel claimt dat hij niets meer of minder is dan America’s Prophet. De auteur, Bruce Feiler, ziet de hand van Mozes overal: van de Founding Fathers, die in 1776 op het zegel van hun nieuwe staat lieten afbeelden hoe het Egyptische leger in zee verdronk, tot verwijzingen naar het bijbelboek Exodus in slavenliederen als Go down, Moses en in toespraken van Martin Luther King, Clinton en Obama. In Feilers ronkende retoriek heeft Mozes’ verhaal “Amerika gemaakt tot wat het is. Hij is de voorvechter van de onderdrukten; hij is de oorspronkelijke voorstander van vrijheid en recht voor iedereen.”

Ho ho, kunnen de Amerikanen zomaar hun vlag in een bijbelse profeet prikken, zoals ze dat in de maanbodem hebben gedaan? En wat zou Mozes er zelf van hebben gevonden, als hij een paar van de Exodus-films uit de twintigste eeuw zou gaan zien (wat hij natuurlijk niet zou mogen, vanwege zijn eigen strenge beeldverbod)? Tien tegen één dat hij zijn stenen tafelen nóg een keer kapot zou smijten. Tussen de Mozes van de bijbel en de Mozes van Hollywood gaapt nou eenmaal een kloof die zo wijd is, dat de Joden er naast elkaar doorheen zouden kunnen wandelen.

Als de kat van huis is: Inside Llewyn Davis

“Wie geen gevoel voor ironie heeft,” zei Friedrich Schlegel (1772-1829), “die zal haar ook niet herkennen als het er duimendik bovenop ligt.” De nieuwste film van Joel en Ethan Coen, Inside Llewyn Davis, is bedekt met ironie zoals New York er bedekt is met sneeuw. Alleen had ik niet meteen door hoe dik die laag was, maar misschien heb ik te weinig gevoel voor ironie. Mijn eerste indruk was van een goed gespeelde, soms realistische en bij vlagen hilarische film, die uiteindelijk toch een mistroostig gevoel achterliet. Een film over een mislukte folkzanger die van de ene tegenslag in de andere valt, maar weinig recht van klagen heeft, omdat hij het er zelf naar maakt.

Inside Llewyn Davis

Hij laat de rode kat van zijn vrienden ontsnappen en brengt de verkeerde kat terug. Hij ziet als sessiemuzikant af van de royalties om direct uitbetaald te krijgen en hoort later dat het plaatje succes heeft. Hij maakt zijn ex ongewenst zwanger, probeert bij haar nieuwe vriend geld te lenen om de abortus te kunnen betalen en hoort dan van de gynecoloog dat hij nog een gratis behandeling tegoed heeft: zo’n tweeënhalf jaar eerder heeft zijn vorige ex van een al betaalde abortus afgezien en het kind gehouden, zonder dat hij van iets wist. Later die avond drukt een trots paar hem een fotootje van hun zoon in handen. “Hij is twee geworden in april.” En zo gaat het maar door. Er wordt verwezen naar Odysseus en koning Midas, maar ik moest eerder aan Sisyphus denken, die gestraft wordt door twee meedogenloze regisseurs.