Nationaal-Bocialisten betichten PVV van plagiaat

DEN HAAG – De Nationaal-Bocialistische Partij, een extreemrechtse splinterpartij, heeft de PVV van plagiaat beticht. Volgens lijsttrekker Hilter vertoont het korte programma dat Wilders een paar dagen geleden presenteerde sterke overeenkomsten met hun eigen plannen. “Wij zeiden lang geleden al: ‘Nederland voor de Nederlanders’, zij zeggen ‘Nederland weer van ons’”, aldus Hilter.

Mr. Hilter

De Nationaal-Bocialisten zeggen ook al sinds jaar en dag te strijden tegen de verkwanseling van het land door de traditionele partijen van links en rechts. “Daarbij hebben we altijd gewezen op drie grote gevaren die de natie bedreigen,” zegt partijsecretaris Ron Vibbentrop. Hij vindt het “curieus” dat bijna dezelfde gevaren nu op het lijstje van Wilders staan.

Wat zijn die drie gevaren? Vibbentrop noemt in de eerste plaats “de invloed van een kwaadaardige, minderwaardige cultuur die oorspronkelijk uit het Nabije Oosten stamt, die wezensvreemd is aan onze normen en waarden en die hier gewoon niet thuishoort. Dan moet je heilige boeken en gebedshuizen verbieden, zeggen wij, maar dat wil de PVV dus ook. Wilders noemt dat nu “de-islamiseren”, wij noemden dat… eh, anders.”

De geest van het pardon

In het toneelstuk Thomas More zet Shakespeare de hoofdpersoon tegenover een groep woedende opstandelingen, die de huizen van immigranten in brand willen steken. Volgens de rebellen is dat vreemde volk alleen gekomen om zich te verrijken op kosten van de Engelsen. More weet ze op andere gedachten te brengen, met een toespraak van een verbluffende actualiteit:

Stel je voor dat je ze het land uit krijgt
En dat je kabaal de Engelse majesteit overstemt,
En stel je voor dat die miserabele vreemden,
Met hun baby’s op hun rug en hun armzalige bagage,
Naar havens en kusten sjokken voor hun transport,
En dat jij daar zit als een koning in je dromen,
De overheid verstomd door jouw gebral,
En jij getooid met de plooikraag van je meningen;
Wat heb je dan bereikt? Nou, dit: je hebt bewezen
Hoe arrogantie en machtsvertoon kunnen winnen,
Hoe de rechtsstaat ondermijnd kan worden…

Eén van de ‘miserabele vreemden’ van nu is een meisje op ons gymnasium. Ze is dertien jaar geleden in Nederland geboren en is één van de uitblinkers in haar klas. Ze is nooit zelfs maar in Afrika geweest, maar de kans is reëel dat ze binnenkort daarheen uitgezet wordt.

Zalig de hoerenlopers

Het moet raar lopen als er dit jaar nog een graphic novel uitkomt die zo persoonlijk, zo uitzinnig en tegelijk zo afstandelijk en doordacht is als Mary wept over the feet of Jesus van Chester Brown. De geleerde ondertitel is prostitution and religious obedience in the bible. Net als een dissertatie gaat de strip vergezeld van zo’n honderd pagina’s aan toelichtingen, noten en verwijzingen naar wetenschappelijke literatuur over bijbelse sekswerkers. Maar dat is nog niet eens het ongewoonste aan dit boek.

Het is een vervolg op Paying for it (2011), een onderzoek in stripvorm naar prostitutie anno nu. Brown kreeg er van de Canadese overheid een beurs voor, die hij voornamelijk opmaakte aan hoerenbezoek. Met onthutsende eerlijkheid schilderde hij hoe hij definitief een punt achter zijn moeizame liefdesleven zette en een hoerenloper werd. Alle sekswerkers die hij ontmoette bracht hij één voor één in beeld, maar ook alle discussies die hij met vrienden voerde. In zijn beleving was prostitutie (met wederzijds respect en zonder onderdrukking of uitbuiting) minder bezitterig en dus ‘zuiverder’ dan gewone relaties. Het boek was een fel pleidooi tegen de heersende ‘hoerenfobie’ en voor het decriminaliseren van prostitutie.

Thermopylae

Delphi, Olympia, Mycene, Epidauros, de Akropolis: ze lagen er nog steeds en we gingen er ook heen, maar de Griekenlandreis van de vijfdeklassers zou dit jaar niet helemaal dezelfde worden als anders. Alleen naar oude stenen kijken en met een boog om het vluchtelingenvraagstuk heen rijden, dat zou zoiets zijn als vioolspelen terwijl Rome brandde. Daar waren we het als begeleidende docenten snel over eens, maar toen werd het lastiger. Zouden we een kamp kunnen bezoeken? Wat zouden we daar dan eigenlijk gaan doen en met welk doel? Hoe vonden we betrouwbare contactpersonen? Zaten de vluchtelingen überhaupt op ons te wachten? Konden we iets voor ze meenemen? En wat moesten we tegen de ouders zeggen, die in het nieuws konden zien dat er vechtpartijen en ziektes in die kampen uitbraken?

Een goede reden om wel te gaan was dat er voortdurend tekorten aan voedsel en andere levensbehoeften waren, met name bij de Macedonische grens en in Piraeus. Sommige leerlingen hadden uit zichzelf al voorgesteld om iets in te zamelen. Een andere reden was dat veel mensen in Nederland zich nauwelijks een voorstelling kunnen maken van wat het betekent om alles achter te laten en dan eindeloos te wachten op een kans om een nieuw bestaan te beginnen. Een bezoek aan een vluchtelingenkamp zou minstens zo’n waardevolle ervaring kunnen zijn voor het wereldbeeld van onze leerlingen als het sjokken door willekeurig welk museum.

Zij weten niet wat zij doen

De Farizeeërs in de tempel, Rembrandt Harmensz. van Rijn, 1648. Collectie Rijksmuseum

De Farizeeërs in de tempel, Rembrandt Harmensz. van Rijn, 1648. Collectie Rijksmuseum

Het was bijna Pasen, toen de Farizeeën en Schriftgeleerden aan de moslims vroegen: ‘Veroordelen jullie deze aanslag, die jullie geloofsgenoten gepleegd hebben?’ De moslims antwoordden: ‘Ja, zo’n aanslag is in strijd met ons geloof.’ Toen zei één van de Farizeeën met overslaande stem: ‘Horen jullie hoe zij zeggen dat de aanslag in strijd is met hun geloof (en dus niet: de wet)? Zien jullie nu hoe zij hun geloof boven de wet plaatsen?’

Daarna gingen de Farizeeën op zoek naar getuigen, zodat ze de moslims zouden kunnen veroordelen voor medeverantwoordelijkheid of op zijn minst sympathie voor de aanslag, maar ze vonden niemand die wilde getuigen. Tenslotte vonden zij een kind, dat beweerde dat moslimkinderen in haar schoolklas hadden gejuicht na de aanslag: ‘Hoor ze alleen maar lachen en hopen dat er veel mensen dood gaan.’ De Farizeeën zeiden: ‘Zij hebben voor de aanslag gejuicht! Wat hebben we verder nog voor getuigenissen nodig? Gooi ze uit in de buitenste duisternis, waar het geween is en het tandengeknars!’

Sorry is het moeilijkste woord

Waarom Asscher en Breedveld elkaar hun excuses moeten aanbieden en waarom de minister het initiatief moet nemen

https://s-media-cache-ak0.pinimg.com/originals/3d/49/73/3d497302a6dc977eafa57be70c41f359.jpg

Yeats, ‘The Second Coming’ (1920)

“Alles valt uiteen, het middelpunt houdt het niet,” schreef de Ierse dichter Yeats over de moderne tijd. “De besten missen alle overtuiging, terwijl de slechtsten vol hartstochtelijke intensiteit zijn.” Dat lijkt me een mooie omschrijving van de debatcultuur in Nederland, waar de grofste meningen het luidst worden rondgetoeterd en de meeste media-aandacht afdwingen. Bovendien werkt het ook nog eens zo dat goedbedoelende mensen, als het vuur van de overtuiging een keer in ze is opgelaaid, vaak minder aangename trekken laten zien. Dat geldt bij uitstek voor de ruzie op social media, waar minister Asscher en Peter Breedveld nu in verwikkeld zijn.

Het begon vorige week maandag, toen Asscher van zich afbeet op Facebook. Zijn sarcastische reactie op de rabiate antisemieten en andere vuilspuiters was begrijpelijk en in grote lijnen adequaat. Een van zijn belasteraars, “Rico”, heeft inmiddels zijn excuses aangeboden.

Gevaarlijk, maar geen racist

Gelukzoekers zijn geen mensen

De Marx Brothers portretteerden zichzelf in hun films als schaamteloze gelukzoekers. In tegenstelling tot Chaplin deden ze geen moeite om de diepere menselijke waardigheid van hun marginale personages te benadrukken. Juist daarom kunnen ze ons vandaag de dag nog iets leren over de ideologie achter de toenemende vreemdelingenhaat.

Naamloos1

Aandeelhouders en verstekelingen

“Ik ben een vreemde hier,” zegt Chico tegen Groucho op een feestje. “Wat dacht je dat ik was,” antwoordt Groucho, “één van de vroege kolonisten?” Zo’n tachtig jaar geleden stelden de Marx Brothers (zelf tweede generatie allochtonen, net als Aristoteles en Spinoza) in al hun films het migratievraagstuk impliciet en vaak ook expliciet aan de orde. In Monkey Business (1931) spelen de broers vier verstekelingen, verstopt in haringvaten aan boord van een oceaanstomer. Groucho en Chico doen zich voor als aandeelhouders en als de kapitein ze niet gelooft (“Jullie lijken meer op een stel verstekelingen!”) reageert Groucho: “Vergeet niet, mijn beste man, dat de aandeelhouder van gisteren de verstekeling van vandaag is.” Ondertussen steken ze ook nog de draak met de anti-immigratiewetgeving van de jaren twintig, toen in Amerika de quota per regio ingevoerd werden. Na weer een abominabele woordgrap van Chico kijkt Groucho in de camera en zegt: “Dit is nou precies waarom de immigratie aan banden gelegd moet worden.” In de hilarische douanescène proberen de vier broers Amerika binnen te dringen met het gestolen paspoort van Maurice Chevalier.

SuperMutant Magic Academy

Als ik één onderwijsboek van het jaar 2015 zou moeten aanwijzen, dan wordt het SuperMutant Magic Academy van Jillian Tamaki. Een hilarische, schrijnende, ontroerende graphic novel die een heel klein beetje aan superhelden doet denken of aan een Hogwarts-achtige toverschool, maar die eigenlijk gewoon over het dagelijks leven in de schoolbanken gaat. Dus over vervreemding, eenzaamheid, vriendschap, verliefdheid, erkenning en het gemis daaraan, lol trappen, pesterij, opstand, idealisme, creativiteit, apathie, nihilisme, twijfel, schaamte en zelfhaat en de hoop dat alles beter is als je de volgende ochtend wakker wordt.

De strips beslaan steeds één pagina, maar bij elkaar vertellen ze een heel verhaal over de terugkerende personages: Wendy die kattenoren heeft, Marsha die stiekem verliefd op haar is, Everlasting Boy die onsterfelijk is, Cheddar met z’n grote bek en het jongetje dat om de drie uur aan een speciaal apparaat moet. “Iets met subatomaire deeltjes en het Evenwicht van het Heelal, geloof ik,” legt een klasgenoot uit.

Random Thought

Kings of War, of: Waarom Shakespeare (niet) zo actueel is

Tegen het einde van Richard III weerklinkt het luide gejammer van moeders om hun vermoorde zoons: de één had een Edward, tot Richard hem vermoordde, de ander een Clarence, tot Richard hem vermoordde. “Ook de toeschouwers van dit treurspel”, zegt koningin Margaret, “zijn voortijdig gesmoord in hun schemerige graven.” Er zijn veel van dit soort taferelen in Shakespeares vroege koningsdrama’s, waar mensen samen rouwen of met elkaar wedijveren in het streven om van hun verdriet een verbaal en visueel spektakel te maken. Psychologisch realisme is dan vaak ver te zoeken, maar misschien zijn het juist daarom wel de meest theatrale scènes in deze stukken. Het eerste wat me opvalt aan de bewerking Kings of War, die Toneelgroep Amsterdam in deze donkere dagen speelt, is dat juist die scènes zijn geschrapt.

Het stuk is een marathon van Henry V, Henry VI en Richard III. Met een gezelschap van topacteurs, een geweldige Ramsey Nasr en een vernuftig decor levert dat mooie momenten en meeslepend theater op. Waar ik moeite mee heb is het uitgangspunt van de makers: dat Shakespeare actueel is omdat hij het heeft over “de mechanismen van de macht, de psychologie van de machthebbers en de duistere machinaties van de adviseurs om hen heen.” Wat ze benoemen lijkt me helemaal geen bijzondere overeenkomst met het nu, geen vonk die overspringt tussen de zestiende eeuw en de onze, maar alleen het nogal banale gegeven dat politiek altijd weer om machtsstrijd draait. Om Louis van Gaal te citeren: “It is again the same song.”

Wie zijn de handelaren in angst?

Handel in angst

Waar komt het snel toenemende geweld tegen AZC’s en asielzoekers vandaan? In een uitstekend stuk op Joop.nl wees Han van der Horst een paar dagen geleden op de verantwoordelijkheid van Geert Wilders, die zijn aanhangers elke dag opjut tot verzet en nauwelijks moeite doet om zich van het resulterende geweld te distantiëren. Minister Asscher noemde Wilders een paar weken geleden nog, met een oude uitdrukking van Geert Mak, een “handelaar in angst”.

Toch wringt er iets aan dat beeld. Als er een markt voor angst is, zou je Wilders dan niet eerder een producent moeten noemen? Wat hij produceert zijn haat- en scheldwoorden, griezelverhalen en extremistische oplossingen. Producten die hij moeiteloos en met flinke politieke winst kan verkopen, maar alleen omdat ze gretig worden afgenomen en gedistribueerd door verschillende groothandelaren. Kortom, wie op Wilders wijst moet ook kijken naar de rol van mainstream media en van liberale of progressieve politici – dat wil zeggen, van bijvoorbeeld de NOS of van mensen als Asscher zelf.

 

Verdoezeling