Geen revolutie alstublieft, we zijn liberaal!

Anderhalve eeuw was Georg Forster een min of meer vergeten denker. Andrea Wulf schreef met De reiziger een biografie over deze fascinerende Duitse ontdekkingsreiziger en filosoof, maar het beeld dat Wulf schetst is ideologisch vertekend en miskent Forsters radicale kant. Mijn recensie, ‘Geen revolutie alstublieft, we zijn liberaal!’, staat volgende maand in de Nederlandse Boekengids en nu al online: https://www.nederlandseboekengids.com/20260905-joris-verheijen/

Sonnet LXXIII

That time of year thou mayst in me behold
When yellow leaves, or none, or few, do hang
Upon those boughs which shake against the cold,
Bare ruin’d choirs, where late the sweet birds sang.
In me thou see’st the twilight of such day
As after sunset fadeth in the west,
Which by and by black night doth take away,
Death’s second self, that seals up all in rest.
In me thou see’st the glowing of such fire
That on the ashes of his youth doth lie,
As the death-bed whereon it must expire,
Consum’d with that which it was nourish’d by.
This thou perceiv’st, which makes thy love more strong,
To love that well which thou must leave ere long.

Wat zegt Shakespeare nou eigenlijk helemaal in dit sonnet? In de voor de hand liggende en populairste interpretatie: ‘ik ben een herfst, ik ben kale takken waar geen vogel meer zingt, ik ben het staartje van een dag en word bijna opgeslokt door de nacht, ik ben een vuur dat nog nagloeit op de as van wat was, maar jij houdt des te meer van me omdat je weet dat ik moet verdwijnen.’ Een melancholische beschouwing over ouderdom en vergankelijkheid dus, waarbij alleen de liefde een beperkt soort van verlossing brengt?














Sonnet LXVI

Sonnet LXVI is Shakespeares meest politieke sonnet. Wolf Biermann zong het in Oost-Duitsland en gebruikte de tekst om er al zijn boosheid en frustratie over een onrechtvaardig, ontmenselijkend systeem onder te verstoppen. Sjostakovitsj heeft het op muziek gezet, waarschijnlijk om precies dezelfde reden. Helen Vendler noemt het sonnet in haar commentaar een masque, naar de woordeloze spektakels die men in de zestiende eeuw graag optuigde: een optocht van misstanden en kwaden, die aan de spreker voorbijtrekt en waar hij alleen maar van verlost wenst te zijn, totdat hij aan zijn liefde denkt. Daarbij zijn de misstanden ook nog eens zo actueel, dat het lijkt alsof Shakespeare onze tijd beschrijft, met zijn perverse politiek, zijn omkering van waarheid en leugen en zijn misogynie.

Kozintsev, Hamlet (1964)

Het is een sonnet dat in de literatuur betrekkelijk weinig aandacht heeft gekregen, misschien omdat de critici de opsommende vorm, ‘And…, And…, And…’, met steeds één kwaad per regel, te saai of te stijf vonden. Het is ook een gedicht waarbij, zoals we eerder bij sonnetten XXIX en XXX zagen, één lezing zo voor de hand ligt, dat die andere interpretaties onmogelijk lijkt te maken. Die lezing is: het leven is zwaar ruk en je zou er soms van verlost willen zijn, als het niet voor de liefde was. Laten we kijken of we die al te simpele lezing kunnen compliceren.

Je kent mijn methode, Watson (2)

Hoe leer je pubers het verschil tussen convergent en divergent denken? En wat heeft dat te maken met de ruimte die ze hebben voor creativiteit op school? Aansluitend op de vorige blog heb ik het met mijn derdeklassers gehad over de methodische verschillen tussen Sherlock Holmes en de politie. Als Sherlock naast een lijk staat, heeft hij in een mum van tijd een hele reeks hypothesen ontwikkeld, van plausibele verklaringen tot meer exotische redeneringen. De kracht van de BBC-serie met Benedict Cumberbatch (2010-2017) is dat die zulke creatieve, divergente denkmomenten visualiseert, door Sherlocks gedachten op het scherm te projecteren. Later in de aflevering begint hij te convergeren, tot er één verklaring overblijft. ‘When you have eliminated the impossible, whatever remains, however improbable, must be the truth.’

Als politieagenten naast een lijk staan, tenminste in die serie, kunnen ze voor geen meter divergent denken. Ze kiezen de meest voor de hand liggende hypothese, laten ook het bewijsmateriaal in die richting convergeren en ronden dan het onderzoek af. Ze zijn de woordenboekdefinitie van ‘tunnelvisie’.

Je kent mijn methode, Watson (1)

De afgelopen maanden ben ik begonnen met een lessenreeks wetenschapsfilosofie voor alle derde klassen. Daarbij gaat het onder meer over Sherlock Holmes, die zich bij het oplossen van misdaden onderscheidt van de politie door zijn ‘wetenschappelijke’ methode (‘Je kent mijn methode, Watson!’). En die steevast ‘de meester van de deductie’ wordt genoemd, ook door zichzelf. Dat klinkt overtuigend, omdat deductie de meest zekere kennis is die er bestaat. Het is als je uit een algemene regel afleidt (deduceert) wat er een specifiek geval geldt. Bijvoorbeeld: ‘Alle mensen zijn sterfelijk – Socrates is een mens – Socrates is sterfelijk.’ Geen speld tussen te krijgen.

Het probleem is dat je bij het oplossen van een misdaad meestal helemaal niet weet welke algemene regels van toepassing zijn. In die bijzondere gevallen is de zekerheid van deductie ver weg en is een speurneus vaak maar een beetje aan het raden. Niet dat er iets mis is met raden: de Amerikaanse filosoof Charles S. Peirce noemt dat ‘abductie’, als je bijvoorbeeld losse feiten door een vermoeden of een suggestieve hypothese met elkaar verbindt: ‘Wat als het gevonden wapen niet het gebruikte wapen was? Wat als het daardoor geen zelfmoord was, maar moord?’ Abductie biedt net als raden geen zekerheid, maar wel een hypothese die van nut kan zijn bij verder onderzoek.

Kundnani over racisme

Gisteravond hield communicatiewetenschapper Arun Kundnani een ijzersterke lezing over racisme en antiracisme in een vol Spui25. Hij onderscheidde een liberale, individualiserende en moraliserende benadering, die racisme reduceert tot menselijke vooroordelen en angst voor het andere, van de radicale benadering van Anton de Kom, Frantz Fanon en anderen, die hebben laten zien hoe racisme verweven is met het koloniale project en met kapitalistische uitbuiting en om een politieke aanpak vraagt.

Kundnani illustreerde die tegenstelling door te vertellen over zijn bezoek aan Kamp Vught, waar je aan het eind van de expositie in de ‘reflectieruimte’ wordt uitgenodigd om een verbinding met het leven nu te maken. Daar vertelt een man in een video dat hij anders wordt aangekeken vanwege zijn tatouages en een vrouw vanwege haar blonde haar. Ook daar moeten we blijkbaar individueel reflecteren op morele lessen, niet samen in gesprek over de uiterst actuele politieke lessen die uit de kampgeschiedenis te leren zouden zijn. Bijvoorbeeld uit de gevangenschap van Anton de Kom zelf in Vught in 1944, waardoor de verwantschap van nazisme en kolonialisme zichtbaar zou kunnen worden. Of uit het wrange feit dat pal naast het voormalige kamp tegenwoordig een state-of-the-art, hypermodern detentiecentrum te zien is, waar met name extremistische moslims gevangen worden gehouden.