Asterix en de precariërs

Van Asterix kan links leren dat de groei van het precariaat en toenemend racisme met elkaar samenhangen, dat de keuze tussen economie of identiteit een valse keuze is en dat normale mensen rare jongens zijn

Zijn dat slaven?’ vraagt Asterix, als hij naar de roeiers wijst. ‘Nee! Compagnons!’ antwoordt de Phoenicische koopman Verramsj met een grijns. ‘Ik heb de vennootschap opgericht en zij hebben het contract niet goed gelezen. Nu ben ik president-directeur-generaal.’ In een later album komen de Galliërs de koopman en zijn roeiers weer tegen en hoewel ze nieuwe titels dragen, zijn de arbeidsverhoudingen en de grijns hetzelfde gebleven. ‘Ik heb nu een reisbureau opgericht, gespecialiseerd in zeereizen,’ legt Verramsj uit. ‘Zij zijn het A.U.B.  – algemeen uitvoerend bestuur – en ik ben O.K. – organiserend kapitein.’ Weer later zijn de roeiers ‘allemaal prijswinnaars van een wedstrijd die ik georganiseerd heb en ze hebben allemaal een zeereis gewonnen, exclusief de kosten.’

Dat Goscinny en Uderzo met Obelix & Co. de grondigste analyse van het kapitalisme hebben geleverd sinds Marx en Engels is algemeen bekend, maar de flexibiliseringstaal van deze koopman is vandaag misschien nog wel actueler. Niet voor niets heet hij in de Engelse Asterix-vertalingen Ekonomikrisis.

De waarheid over Dokkum moest in het midden liggen

Maandag verklaarde burgemeester Waanders dat alleen de tegenstanders van Zwarte Piet, georganiseerd in de stichting Nederland Wordt Beter, hadden aangegeven bij de intocht van Sinterklaas in Dokkum te willen demonstreren. De voorstanders hebben “geen demonstratie of andere vorm van betoging aangemeld”, maar hebben de tegenstanders klemgereden op de A7 om de doortocht naar Dokkum te verhinderen.

Toen de bussen met tegenstanders verder reden, kreeg de politie aanwijzingen dat er nieuwe, wilde blokkades dreigden. Bovendien kreeg ze “berichten dat zich in de binnenstad van Dokkum al reeds mensen bevonden die de confrontatie zouden zoeken met de mensen van ‘Stichting Nederland wordt beter’. Hierbij werd ook melding gemaakt van mensen die onderweg zouden zijn met zwaar vuurwerk.” Het is duidelijk dat de laatste zin betrekking heeft op de genoemde berichten over herrieschoppende pro-Pieters. De politie rekende de mensen met zwaar vuurwerk dus ook tot de voorstanders van zwarte Piet.

Het merkwaardige voorval met Renan en het antisemitisme

Er zijn veel lovende woorden geschreven over Henk Wesselings pas verschenen Scheffer-Renan-Psichari: een Franse cultuur- en familiegeschiedenis, 1815-1914, maar het is de moeite waard om even stil te staan bij het merkwaardige voorval met Renan en het antisemitisme. ‘Merkwaardig’ in de zin waarin Sherlock Holmes het had over het non-event van een hond die ’s nachts niet blafte. Want het is opvallend dat deze onder cultuurhistorici veelbesproken kwestie niet aan de orde komt, noch in het boek, noch in de recensies.

Ernest Renan, door Léon Bonnat

Dat de liberale filoloog en filosoof Ernest Renan (1823-1892) een held van Wesseling is was al langer duidelijk. In Van toen en nu (2014) werd hij naar voren geschoven als een voorbeeld van een gezond nationalisme, waar de Nederlanders van zouden kunnen leren. In de biografie van De Gaulle (2013) werd hij geroemd als “de grootste Franse geest van de negentiende eeuw”.

Met datzelfde tromgeroffel wordt hij aangeprezen op de eerste bladzijde van het nieuwe boek. In een recent interview schetst Wesseling Renan als een van de geestelijke vaders van een Europees beschavingsideaal, dat nu bedreigd wordt door extreemrechtse nationalisten en linkse critici: “Het klinkt gek, maar ik ben een soort Europese chauvinist. Tegenwoordig roept iedereen over de schande van Europa, vanwege het kolonialisme en de slavernij.”

Macedonië, land van de herrijzende zon

Gerelateerde afbeelding

Andronikos in Vergina

Vorige week hebben aanhangers van de regering het parlement van Macedonië bestormd en politici van oppositiepartijen zwaar mishandeld. Ze droegen rode vlaggen bij zich met een zon met zestien stralen, een antiek motief dat de afgelopen decennia de uitdrukking is geworden van oplaaiend nationalisme. Niet alleen in Macedonië zelf, maar ook in buurland Griekenland zie je de ‘zon van Vergina’ op sleutelhangers, koelkastmagneten, postzegels, monumenten en vooral veel vlaggen. Waar heeft dat meer dan tweeduizend jaar oude symbool zijn tweede leven aan te danken?

In de eerste plaats aan de Griekse archeoloog Manolis Andronikos, die na jaren zoeken in november 1977 de antieke vondst van de eeuw deed bij het plaatsje Vergina: een grafheuvel met verschillende Macedonische tombes uit de vierde eeuw voor Christus. Tombe II verborg een ongeschonden koningsgraf, vol gouden eikenkransen, zilveren grafgiften en wapens. Het motief van de zon sierde het deksel van een gouden larnax, een beenderkist die volgens Andronikos niemand minder dan Philippos II bevatte, de vader van Alexander de Grote. “Vol religieuze toewijding staan we voor deze heilige relieken”, schreef hij bij zijn vondst.

Wit privilege: het middelpunt van het feestje

Een open brief aan Han van der Horst over Wit is ook een kleur

Beste Han,

cc foto: mjeckerMet de documentaire Wit is ook een kleur heeft Sunny Bergman weer een steen in de vijver van de Nederlandse identiteit gegooid. Het klotst nog steeds aan de oevers, bijvoorbeeld in de gesprekken van mensen die zich voor het eerst bewust lijken te worden van hun eigen witheid en van de bijbehorende voorrechten. Mij heeft de film onder meer aan het denken gezet over de witheid van mijn vriendenkring, over de keuzes die ik als vader maak en over de criteria die we op school gebruiken om leerlingen te bevorderen of een sanctie op te leggen. Het oppervlak van mijn zelfbeeld deint ook nog na, omdat ik weer eens geconfronteerd ben met het verschil tussen wat ik bewust denk en wat ik onbewust doe.

Bij sommige recensies kreeg ik de indruk dat ze zoveel mogelijk bezwaren op elkaar stapelden, om de pijnlijke lading van de film maar niet tot het volle bewustzijn te laten doordringen. Ze deden me denken aan het verhaal van Freud over een man, die er door zijn buurman van werd beschuldigd dat hij een geleende ketel had teruggebracht met een barst erin. “Toen ik de ketel terugbracht was hij nog helemaal heel,” verdedigde de man zich. “Bovendien zat die barst er al in. Trouwens, wat klets je nou? Ik heb nooit een ketel van jou geleend.”

Het missende gezicht: hoe Jezus verdween uit de burgerrechtenbeweging

March - Book Two-179Kort geleden verscheen het derde en laatste deel van March, een graphic novel over de Amerikaanse burgerrechtenbeweging in de jaren vijftig en zestig. Voor deze boeken heeft John Lewis, één van de beroemdste zwarte activisten, zijn verhaal verteld aan schrijver Andrew Aydin en tekenaar Nate Powell. Dat was hard nodig volgens de makers, omdat de meeste Amerikanen van die hele geschiedenis maar negen woorden kennen: Rosa Parks, Martin Luther King, I have a dream. March is dus een geschiedenisles, maar ook een klap in je gezicht, omdat het laat zien hoeveel geweld het protest losmaakte. Geweld van gouverneurs, politie, Ku Klux Klan en anderen, in de vorm van verboden, traangasgranaten, gummiknuppels, kogels, molotovcocktails en bommen. Als lezer krijg je nog meer bewondering dan je al had voor de zelfdiscipline en het doorzettingsvermogen van de actievoerders, die naar het voorbeeld van Jezus en Gandhi weigerden om geweld met geweld te beantwoorden.

De geest van het pardon

In het toneelstuk Thomas More zet Shakespeare de hoofdpersoon tegenover een groep woedende opstandelingen, die de huizen van immigranten in brand willen steken. Volgens de rebellen is dat vreemde volk alleen gekomen om zich te verrijken op kosten van de Engelsen. More weet ze op andere gedachten te brengen, met een toespraak van een verbluffende actualiteit:

Stel je voor dat je ze het land uit krijgt
En dat je kabaal de Engelse majesteit overstemt,
En stel je voor dat die miserabele vreemden,
Met hun baby’s op hun rug en hun armzalige bagage,
Naar havens en kusten sjokken voor hun transport,
En dat jij daar zit als een koning in je dromen,
De overheid verstomd door jouw gebral,
En jij getooid met de plooikraag van je meningen;
Wat heb je dan bereikt? Nou, dit: je hebt bewezen
Hoe arrogantie en machtsvertoon kunnen winnen,
Hoe de rechtsstaat ondermijnd kan worden…

Eén van de ‘miserabele vreemden’ van nu is een meisje op ons gymnasium. Ze is dertien jaar geleden in Nederland geboren en is één van de uitblinkers in haar klas. Ze is nooit zelfs maar in Afrika geweest, maar de kans is reëel dat ze binnenkort daarheen uitgezet wordt.

Zalig de hoerenlopers

Het moet raar lopen als er dit jaar nog een graphic novel uitkomt die zo persoonlijk, zo uitzinnig en tegelijk zo afstandelijk en doordacht is als Mary wept over the feet of Jesus van Chester Brown. De geleerde ondertitel is prostitution and religious obedience in the bible. Net als een dissertatie gaat de strip vergezeld van zo’n honderd pagina’s aan toelichtingen, noten en verwijzingen naar wetenschappelijke literatuur over bijbelse sekswerkers. Maar dat is nog niet eens het ongewoonste aan dit boek.

Het is een vervolg op Paying for it (2011), een onderzoek in stripvorm naar prostitutie anno nu. Brown kreeg er van de Canadese overheid een beurs voor, die hij voornamelijk opmaakte aan hoerenbezoek. Met onthutsende eerlijkheid schilderde hij hoe hij definitief een punt achter zijn moeizame liefdesleven zette en een hoerenloper werd. Alle sekswerkers die hij ontmoette bracht hij één voor één in beeld, maar ook alle discussies die hij met vrienden voerde. In zijn beleving was prostitutie (met wederzijds respect en zonder onderdrukking of uitbuiting) minder bezitterig en dus ‘zuiverder’ dan gewone relaties. Het boek was een fel pleidooi tegen de heersende ‘hoerenfobie’ en voor het decriminaliseren van prostitutie.

Thermopylae

Delphi, Olympia, Mycene, Epidauros, de Akropolis: ze lagen er nog steeds en we gingen er ook heen, maar de Griekenlandreis van de vijfdeklassers zou dit jaar niet helemaal dezelfde worden als anders. Alleen naar oude stenen kijken en met een boog om het vluchtelingenvraagstuk heen rijden, dat zou zoiets zijn als vioolspelen terwijl Rome brandde. Daar waren we het als begeleidende docenten snel over eens, maar toen werd het lastiger. Zouden we een kamp kunnen bezoeken? Wat zouden we daar dan eigenlijk gaan doen en met welk doel? Hoe vonden we betrouwbare contactpersonen? Zaten de vluchtelingen überhaupt op ons te wachten? Konden we iets voor ze meenemen? En wat moesten we tegen de ouders zeggen, die in het nieuws konden zien dat er vechtpartijen en ziektes in die kampen uitbraken?

Een goede reden om wel te gaan was dat er voortdurend tekorten aan voedsel en andere levensbehoeften waren, met name bij de Macedonische grens en in Piraeus. Sommige leerlingen hadden uit zichzelf al voorgesteld om iets in te zamelen. Een andere reden was dat veel mensen in Nederland zich nauwelijks een voorstelling kunnen maken van wat het betekent om alles achter te laten en dan eindeloos te wachten op een kans om een nieuw bestaan te beginnen. Een bezoek aan een vluchtelingenkamp zou minstens zo’n waardevolle ervaring kunnen zijn voor het wereldbeeld van onze leerlingen als het sjokken door willekeurig welk museum.

Zij weten niet wat zij doen

De Farizeeërs in de tempel, Rembrandt Harmensz. van Rijn, 1648. Collectie Rijksmuseum

De Farizeeërs in de tempel, Rembrandt Harmensz. van Rijn, 1648. Collectie Rijksmuseum

Het was bijna Pasen, toen de Farizeeën en Schriftgeleerden aan de moslims vroegen: ‘Veroordelen jullie deze aanslag, die jullie geloofsgenoten gepleegd hebben?’ De moslims antwoordden: ‘Ja, zo’n aanslag is in strijd met ons geloof.’ Toen zei één van de Farizeeën met overslaande stem: ‘Horen jullie hoe zij zeggen dat de aanslag in strijd is met hun geloof (en dus niet: de wet)? Zien jullie nu hoe zij hun geloof boven de wet plaatsen?’

Daarna gingen de Farizeeën op zoek naar getuigen, zodat ze de moslims zouden kunnen veroordelen voor medeverantwoordelijkheid of op zijn minst sympathie voor de aanslag, maar ze vonden niemand die wilde getuigen. Tenslotte vonden zij een kind, dat beweerde dat moslimkinderen in haar schoolklas hadden gejuicht na de aanslag: ‘Hoor ze alleen maar lachen en hopen dat er veel mensen dood gaan.’ De Farizeeën zeiden: ‘Zij hebben voor de aanslag gejuicht! Wat hebben we verder nog voor getuigenissen nodig? Gooi ze uit in de buitenste duisternis, waar het geween is en het tandengeknars!’