Het missende gezicht: hoe Jezus verdween uit de burgerrechtenbeweging

March - Book Two-179Kort geleden verscheen het derde en laatste deel van March, een graphic novel over de Amerikaanse burgerrechtenbeweging in de jaren vijftig en zestig. Voor deze boeken heeft John Lewis, één van de beroemdste zwarte activisten, zijn verhaal verteld aan schrijver Andrew Aydin en tekenaar Nate Powell. Dat was hard nodig volgens de makers, omdat de meeste Amerikanen van die hele geschiedenis maar negen woorden kennen: Rosa Parks, Martin Luther King, I have a dream. March is dus een geschiedenisles, maar ook een klap in je gezicht, omdat het laat zien hoeveel geweld het protest losmaakte. Geweld van gouverneurs, politie, Ku Klux Klan en anderen, in de vorm van verboden, traangasgranaten, gummiknuppels, kogels, molotovcocktails en bommen. Als lezer krijg je nog meer bewondering dan je al had voor de zelfdiscipline en het doorzettingsvermogen van de actievoerders, die naar het voorbeeld van Jezus en Gandhi weigerden om geweld met geweld te beantwoorden.

Zoals King, Lewis en andere zwarte leiders hebben benadrukt speelde het geloof een doorslaggevende rol in die ongelijke strijd. Daardoor “bleven we gaan, gaven we niet op, werden we niet bitter of vijandig,” aldus Lewis in een interview met de Religion News Service. “We hielden vast aan ons geloof. Het was de muziek van de kerk die ons optilde en droeg. Het voelde alsof de Heer zelf aan onze kant stond.” Uit het geloof werd niet alleen hoop en persoonlijke inspiratie geput, maar ook het geweldloze verzet als middel (de bekende “linkerwang”) en de gelijkheid voor Christus als maatschappelijk ideaal. Voor de sterk religieuze zwarte gemeenschap was de kerk een godshuis, een informatiecentrum, een verzamelplaats en de natuurlijke plek om politieke plannen te maken en taken te verdelen. Omgekeerd waren Kings politieke toespraken, zoals I have a dream, onvervalste preken doordrenkt met bijbelcitaten. Bijvoorbeeld als hij de lange weg naar rassengelijkheid vergeleek met de tocht van het Joodse volk door de woestijn.

Het wonderlijke is dat je daar helemaal niks van terugvindt in March. Als er een plaatje met een kerk in voorkomt, is dat omdat actievoerders er vergaderen. De enige kruisen zijn die van de Klan en als het over God gaat, is het in uitdrukkingen als ‘Goddammit’. Vergelijk het met Martin Luther King and the Montgomery Story, een simpele comic die in 1957 werd verspreid om meer mensen voor de burgerrechtenbeweging te winnen: in de zestien pagina’s van die strip wordt de betekenis van het geloof duidelijker dan in de drie delen van March bij elkaar.

Maar wat is er in de boeken te vinden van de gebeden en gezangen, de ‘muziek van de kerk’ waar Lewis het over had? Een fragmentje uit het genoemde interview:

Interviewer: In de boeken gaat het er vaak over hoe gebeden en religieuze gezangen werden gebruikt voor en tijdens de marsen voor burgerrechten. Wat voor betekenis hadden ze voor u?

Lewis: De gebeden, de gezangen sterkten me en gaven me de kracht en het vermogen om door te gaan. Zonder het geloof in de almachtige God zouden de burgerrechtenbeweging en mijn eigen rol daarin niet meer zijn dan een vogel zonder vleugels.

Dit is niet wonderlijk meer, dit begint een beetje absurd te worden. Op de bijna zeshonderd bladzijden die March bij elkaar telt is precies één plaatje te vinden waarop mensen aan het bidden zijn. Onder alles wat er tijdens marsen en sit-ins gezongen wordt is één religieus gezang (This Little Light of Mine). Voor de rest zijn het protestliederen (natuurlijk We Shall Overcome) en nogal vaderlandslievende liederen (Star-spangled Banner, My Country ‘Tis of Thee, Which Side Are You On). Het zou kunnen dat de interviewer slordig gelezen heeft, maar hoe kan de auteur zelf zo’n vertekend beeld van zijn eigen boeken hebben?

Het lijkt erop dat in March het geloof ongemerkt uit het verhaal van de burgerrechtenbeweging is weggesluisd, zo ongemerkt zelfs dat de interviewer en de auteur het niet eens in de gaten hadden. Wat dat betreft staan de boeken niet op zichzelf, maar passen ze in een trend om geloof als iets irrationeels, beschamends of obsceens te behandelen, dat zoveel mogelijk achter de voordeur hoort te blijven. Een ander voorbeeld van die ongeschreven regel is het monument voor King dat in 2011 in Washington is opgericht: veertien inscripties met uitspraken van de dominee en niet één die iets uitdrukt van zijn christelijke geloof. Nog een voorbeeld is Selma, een overigens aangrijpende speelfilm uit 2014 over de strijd voor gelijke stemrechten, met een formidabele David Oyewolo in de rol van Martin Luther King. Omdat het hele verhaal om een geestelijke draait speelt het geloof hier wel een kleine rol, maar het is een volledig geprivatiseerd geloof: iets waar King troost in vindt als hij ’s nachts niet kan slapen, niet iets dat hij vertaalt naar politieke ideeën of dat in daden wordt omgezet bij een mars.

Neem Kings vlammende preek na de standrechtelijke executie van Jimmie Lee Jackson in 1965, die zowel in March als in Selma wordt aangehaald. King zegt onder meer dat zijn geloof hem vertelt dat Jimmie

niet vergeefs stierf. God heeft nog altijd het vermogen om uit het kwade het goede te laten voortkomen. De geschiedenis heeft steeds weer bewezen dat onverdiend leed verlossend kan zijn. Het onschuldige bloed van deze edele dienaar Gods zou best eens de verlossende kracht kunnen zijn, die nieuw licht naar deze donkere staat brengt.

Wat March daarvan maakt is een aanklacht tegen gouverneurs en politie. Selma vervangt Kings geloof in de voorzienigheid door een puur politieke overtuiging: “We zullen niet toelaten dat jouw offer vergeefs was, lieve broeder! We zullen te pakken krijgen wat jou ontzegd werd!” Dat is geen parafraseren meer, dat is herschrijven.

Kortom, Jezus wordt met terugwerkende kracht weggepoetst uit populaire representaties van de burgerrechtenbeweging, een beetje zoals onder Stalin terechtgestelde commissarissen achteraf van officiële foto’s verdwenen. Nergens wordt dat duidelijker in March dan als het gaat over de aanslag van de Klan op de Baptist Church in Birmingham in 1963. We zien een glas-in-loodraam met Jezus als Goede Herder, waarvan het hoofd beschadigd is door de explosie. De ironie is dat hij alleen even zijn gezicht mag laten zien als hij het verloren heeft.

Wat is de verklaring voor die grote opruiming? Het is één ding als iemand het geloof aan strenge banden wil leggen in het actuele politieke debat, bijvoorbeeld uit angst dat het de zuiverheid van een rationele discussie vervuilt (al kun je dan tegenwerpen dat elke politicus ideologie bedrijft en dat een gelovige niet per se minder rationeel denkt dan een liberaal of een populist). Maar het is iets heel anders om die zuivering ook nog eens met terugwerkende kracht door te voeren in de geschiedenis. Wie dat doet, wordt zelf duidelijk door andere dan strikt rationele motieven gedreven.

Wat zou er dan achter kunnen zitten? Als schrikreactie op de terroristische aanslagen die gelovigen in dit millennium gepleegd hebben zou het psychologisch nog te begrijpen zijn. Maar in feite gaat de trend verder terug, tot de jaren tachtig, zoals Stephen Carter heeft laten zien in The Culture of Disbelief (1993). Hij beschreef hoe destijds het idee begon te groeien dat een gelovige in een democratie zijn religieuze overtuigingen als een hobby hoort te beschouwen, dat hij ze niet te serieus moet nemen en ze vooral thuis hoort te laten als hij zich in publieke discussies mengt. De scheiding van kerk en staat is zonder meer een groot goed, erkent ook Carter, maar die wordt sinds de jaren tachtig steeds drastischer doorgetrokken tot een complete scheiding tussen geloof en politiek en tussen privé en publiek.

In dezelfde periode verdween langzaam maar zeker het historisch besef van de bijdrage die gelovigen in moderne democratieën aan het politieke debat hebben geleverd. Carter was niet naïef: hij wist natuurlijk dat er een donkere keerzijde was en dat religieus geïnspireerde bekrompenheid vaak genoeg voor oorlog heeft gepleit of voor seksuele onderdrukking. Wat hij bestreed was de moderne tendens om alléén die keerzijde te zien en de religieuze inspiratie van bijvoorbeeld het abolitionisme of de burgerrechtenbeweging onder het tapijt te vegen. Het viel hem op dat politiek geëngageerde gelovigen in de liberale media steeds vaker werden gereduceerd tot een malle bende abortushaters en vaccinatieweigeraars, terwijl King, het voorbeeld van een progressieve gelovige, posthuum werd geseculariseerd tot een humanistische strijder voor gelijke rechten. Het viel Carter ook op dat progressieve politici niet langer samen optrokken met kerkelijke initiatieven, zoals in de jaren zestig en zeventig ondanks alle ideologische verschillen gebeurde (denk aan burgerrechten en bevrijdingstheologie, maar ook aan de Nederlandse vredesbeweging).

March past goed in de trend die Carter beschreef, vanwege de verdwijntruc die de boeken met het geloof uithalen en vanwege de carrière van Lewis zelf, die ooit begon als student theologie en in de jaren tachtig een liberale senator werd. Het enige credo dat je in deze boeken kunt ontdekken is dat van het liberalisme (na de moord op JFK wordt er gezegd “dat je wel de man kunt doden, maar niet de geest van het liberalisme”). Geen wonder dat Jezus ongemerkt uit beeld kon verdwijnen in zijn verstripte leven: in zijn echte leven lijkt ook zoiets te zijn gebeurd.

Het probleem was volgens Carter dat liberalen bang waren geworden, zodat ze de positieve bijdragen van het geloof in de publieke arena niet meer konden zien. Volgens mij is er meer aan de hand. Het kan geen toeval zijn dat de problematisering van religie in het publieke leven in de jaren tachtig samenviel met de wereldwijde triomf van het neoliberalisme. Als economisch model en als politieke theorie presenteerde het neoliberalisme zichzelf als ‘the only game in town’. “Wie ook maar het minste teken geeft dat hij of zij betrokken is bij politieke projecten die het doel hebben om de bestaande orde werkelijk te ondermijnen,” heeft de filosoof Slavoj Zizek gezegd, “die krijgt meteen het volgende antwoord: ‘Het klinkt goedaardig, maar het leidt uiteindelijk tot een nieuwe goelag!’ Op deze manier kunnen de conformistische liberale schurken een hypocriete bevrediging halen uit hun verdediging van de bestaande orde: ze weten dat er corruptie, uitbuiting enzovoort is, maar ze verwerpen bij voorbaat elke poging om iets te veranderen als ethisch gevaarlijk en onaanvaardbaar, door de geest van het totalitarisme op te roepen.”

Er lijkt een soort van ongeschreven Denkverbot te bestaan, een verbod om af te wijken van de liberale consensus: de redenering dat een door geloof geïnspireerde politiek wel tot onderdrukking moet leiden, zoals socialisme tot een goelag leidt. Martin Luther King zou er zijn schouders bij hebben opgehaald. In zijn laatste jaren week hij welbewust steeds scherper af van de liberale consensus en kwam hij vanuit zijn geloof tot standpunten die hij ronduit socialistisch noemde. Toen hij in 1968 in Memphis vermoord werd, was hij daar om stakende reinigingswerkers te steunen in hun protest tegen uitbuiting. Waarmee ik maar wil zeggen dat Carter niet ver genoeg ging: dat het geloof sinds de jaren tachtig zo krampachtig uit de publieke arena wordt geweerd is niet per se omdat mensen werkelijk denken dat het nooit tot positieve veranderingen bijdraagt. Het is eerder om te voorkomen dat er iets verandert.

 

Dit bericht is ook verschenen op Nieuwwij.nl en Joop.nl.

Een gedachte over “Het missende gezicht: hoe Jezus verdween uit de burgerrechtenbeweging

  1. Pingback: Opvoeding | Apoftegma

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

* Copy This Password *

* Type Or Paste Password Here *