Thermopylae

Delphi, Olympia, Mycene, Epidauros, de Akropolis: ze lagen er nog steeds en we gingen er ook heen, maar de Griekenlandreis van de vijfdeklassers zou dit jaar niet helemaal dezelfde worden als anders. Alleen naar oude stenen kijken en met een boog om het vluchtelingenvraagstuk heen rijden, dat zou zoiets zijn als vioolspelen terwijl Rome brandde. Daar waren we het als begeleidende docenten snel over eens, maar toen werd het lastiger. Zouden we een kamp kunnen bezoeken? Wat zouden we daar dan eigenlijk gaan doen en met welk doel? Hoe vonden we betrouwbare contactpersonen? Zaten de vluchtelingen überhaupt op ons te wachten? Konden we iets voor ze meenemen? En wat moesten we tegen de ouders zeggen, die in het nieuws konden zien dat er vechtpartijen en ziektes in die kampen uitbraken?

Een goede reden om wel te gaan was dat er voortdurend tekorten aan voedsel en andere levensbehoeften waren, met name bij de Macedonische grens en in Piraeus. Sommige leerlingen hadden uit zichzelf al voorgesteld om iets in te zamelen. Een andere reden was dat veel mensen in Nederland zich nauwelijks een voorstelling kunnen maken van wat het betekent om alles achter te laten en dan eindeloos te wachten op een kans om een nieuw bestaan te beginnen. Een bezoek aan een vluchtelingenkamp zou minstens zo’n waardevolle ervaring kunnen zijn voor het wereldbeeld van onze leerlingen als het sjokken door willekeurig welk museum.

Op de voorlichtingsavond voor ouders werd het idee met instemming ontvangen, al maakten sommige ouders zich zorgen over ziektes en andere risico’s. We spraken af dat deelname aan deze excursie niet verplicht zou zijn. De dagen erna kregen we mail van een paar families, die niet wilden dat hun kinderen meegingen. Vervolgens gaf één van de vier begeleiders aan dat ze grote bezwaren had en ook niet mee zou gaan. Ze vond het onverantwoord, omdat we de gevaren niet goed konden inschatten en het nut al even twijfelachtig was. Een tegenvaller die ergens ook weer meeviel, omdat er nu tenminste iemand was die met de achterblijvende leerlingen een ander programma zou kunnen volgen.

Om contact te leggen met een kamp verzamelde ik een aantal mailadressen en telefoonnummers, via een Nederlandse hulporganisatie (‘Hellas pindakaas’) en een Vlaamse journalist. Het viel niet mee om iemand te bereiken. Een vrouw van een burgerinitiatief in de haven van Piraeus nam eindelijk op, maar om haar heen klonk geschreeuw en ze wist niet hoe gauw ze het gesprek weer moest beëindigen. Gelijk had ze, het klonk alsof ze dringender zaken aan haar hoofd had dan het organiseren van een uitstapje voor gymnasiasten. Ondertussen drong de tijd en begon ik ook te twijfelen aan de haalbaarheid van het hele plan.

In een krant las ik over een project in Thermopylae, bij de bergpas waar koning Leonidas met driehonderd Spartanen het Perzische leger had tegengehouden, totdat hij door Ephialtes werd verraden. Op die historische plek hadden vertegenwoordigers van de lokale overheid besloten om iets voor de vluchtelingen te doen, die bezig waren te verkommeren in overvolle kampen. Omdat ze geen steun van de regering kregen, hadden ze het geld uit het aardbevingenpotje van de regio gebruikt. Met de hulp van veel vrijwilligers hadden ze twee voormalige hotels gereed gemaakt voor de opvang van driehonderd Syriërs. Voedsel, medische zorg en andere faciliteiten hadden ze geregeld. Ik moest denken aan een paar regels van de grote Griekse dichter Kavafis:

Eer aan hen die in hun leven
zich een Thermopylae stellen en het hoeden.
Nooit wijkend voor hun plicht,
evenwichtig en rechtvaardig in al hun daden,
maar ook meedogend en barmhartig,
steeds hulp biedend naar hun vermogen.

Voor onze doelen was het heel geschikt: een kleinschalig kamp met voornamelijk families, zonder voedseltekorten en zonder de schrijnende toestanden aan de grens, in Piraeus of op Lesbos. Bovendien lag het op onze route van de rotskloosters van de Meteora naar Delphi. Toen ik ze belde, zeiden ze dat ze ons graag wilden ontvangen en rondleiden. Ze vertelden ook dat ze te weinig melkpoeder voor de kinderen hadden, dus op de dag voor vertrek zijn we drogisterijen afgegaan om te hamsteren. Op Schiphol hebben we de pakken over alle koffers verdeeld.

Op de ochtend van het bezoek moest ik nog een paar pakken melkpoeder redden uit de handen van twee Russische hotelgasten, die ermee vandoor wilden gaan. Vlak voor het kamp zetten we de leerlingen die niet meegingen met een begeleider af bij het standbeeld van Leonidas, op het oude slagveld. Daarna voerde de weg langs de stinkende, hete zwavelbronnen waar Thermopylae zijn naam (‘hete poorten’) en zijn hotels aan dankte. Voor één van die hotels stond de vice-gouverneur van de regio, Evthimios Karaiskos, op ons te wachten, met zo’n honderd Syriërs om hem heen. Blijkbaar was ons bezoek een grotere gelegenheid dan we hadden gedacht. Het was het ongemakkelijkste moment van de hele middag, misschien omdat het ineens zo duidelijk werd hoe idioot groot de kloof was tussen het gymnasium en het kamp, tussen ons schoolreisje en hun eindeloze tocht naar nergens. Ook de leerlingen hadden daar moeite mee. “Het voelde heel arrogant dat we kwamen met onze potjes Nutrilon en daarna weer weggingen,” schreef Amar achteraf. “Maar ik merkte dat de mensen daar ’t waardeerden dat we kwamen en contact met ons zochten. Vervolgens hebben we een leuke middag met ze gehad.”

Toen we de pakken melk hadden afgeleverd, leidde Karaiskos ons rond over het terrein. Buiten het hotel, in de schaduw van de pijnbomen, stond een grote plastic tafel met een heleboel stoelen eromheen. Dat was de school. De leraar was een wiskundige, die gewond was geraakt in de oorlog en niet meer kon lopen. Vanaf een uur of tien tot het middageten gaf hij wiskunde, geschiedenis, Engels en aardrijkskunde. Nu was het middag en hadden de kinderen net de opdracht gekregen om Syrië te tekenen. De meesten hadden landkaarten gemaakt, maar één meisje had een lange, kronkelende weg getekend, waarvan je niet kon zien waar hij begon en waar hij naartoe ging. Er werd een tolk gehaald, die aan de kinderen kon vragen waar ze van droomden. Van vrede in Syrië, zeiden ze, en van een veilige plek om op te groeien, te leren en te spelen.

In een korte toespraak legde Karaiskos uit dat ze iets van de Griekse gastvrijheid hadden willen laten zien, hoe beperkt hun mogelijkheden ook waren. Het doel was simpelweg om de vluchtelingen het best mogelijke leven te bieden tot ze verder zouden trekken, waar dan ook naartoe. Ze hoopten dat anderen in Griekenland en in de rest van Europa hun gebaar zouden zien. Daarom waren ze ook dankbaar dat wij de moeite hadden genomen om hen te bezoeken en kennis te nemen van het initiatief. “Je kon zien dat die man echt een beetje emotioneel werd,” zei Sam tegen me.

De tolk vertelde dat alle lagen van de bevolking in het kamp waren vertegenwoordigd: ingenieurs, docenten, bouwvakkers, Syriërs en Syrische Koerden, mensen van verschillende geloven. Hij tolkte in meer kampen, maar dit was veruit het beste van Griekenland, als het om de omstandigheden en om het samenleven ging.

Ondertussen was er een volleybalwedstrijd uitgebroken tussen Syrische en Hollandse jongens. Op andere plekken stonden ze met elkaar te praten, in Engels en elke andere taal waarin ze ook maar een paar woorden konden uitwisselen. Sommige meisjes trokken met de jongere kinderen op. “Omdat ik kinderen erg leuk vind, probeerde ik meteen contact met hen te maken,” schreef Aafke. “Ze accepteerden me gelijk en toen gingen we touwtje springen. Ik vond het mooi om te zien dat ze, ondanks alles wat ze al mee hebben gemaakt, toch zo open waren tegen iemand die ze niet kenden. Vooral een jongetje van één, dat nog nooit een thuis en zekerheid had gekend, liep constant naar me toe om liefkozend z’n handje op mijn been te leggen: hij vertrouwde me volledig.”

Volgens de tolk kregen ze hier nooit bezoek, afgezien van een verdwaalde VN-inspecteur. “Bedankt dat jullie niet bang zijn geweest,” zei hij. De omstandigheden waren dan wel beter in Thermopylae, maar dat veranderde niets aan de uitzichtloosheid van de situatie. Het kamp werd nu drie maanden bewoond en er was nog niemand naar een ander Europees land doorgereisd. Een student Arabische poëzie vertelde dat hij graag naar een land wilde waar mensen Engels spraken, maar hij zag het niet meer gebeuren. Hij overwoog nu om maar terug te keren naar de oorlog. Een volledig blinde jongen zat er zonder zijn vader en moeder: de eerste zat in Syrië, de laatste in Finland en zelf wist hij letterlijk en figuurlijk niet hoe hij verder moest. Er liep een jongen naast hem om zijn hand vast te houden.

Mohammed, een ingenieur, wilde graag zijn kamer laten zien, een piepklein hokje waar hij met een gezin van vier woonde. Zijn zoon vertelde dat hij ook ingenieur wilde worden en hoopte dat hij die kans zou krijgen. Mohammed zelf hield het ondertussen vol met de moed van de wanhoop. Waarschijnlijk was dat waarom hij zo’n sterke drang had om te delen hoe hij leefde. Ik dacht aan de slotregels van Kavafis’ gedicht:

En grotere eer komt hen toe
wanneer ze voorzien (en velen voorzien het
dat Ephialtes zich uiteindelijk zal vertonen
en de Perzen tenslotte door zullen breken.“

Het afscheid nemen was wel lastig,” schreef Aafke in haar verslag, “omdat ik de kinderen weer achter moest laten zonder echt iets voor ze te hebben gedaan. Maar ik hoop dat ze nog samen touwtje blijven springen en uiteindelijk ergens veilig terecht komen.” Toen de motor van de bus al draaide, sprong een jongetje lachend op de treeplank: “I go with you!” Bij het wegrijden dacht niemand aan de rest van onze groep, die bij het standbeeld van Leonidas stond te wachten, zodat we na tien kilometer weer terug moesten.

Niet alleen voor de Syriërs, maar ook voor de Grieken telde het dat hun inspanningen niet onopgemerkt bleven. “Een gymnasium uit Amsterdam in Nederland, dat een reis maakte door ons gebied en ook naar de historische plaats Thermopylae, bezocht de opvang”, schreef een nieuwssite de volgende dag. “De leerlingen wilden luisteren naar de verhalen van de vluchtelingen, maar ook hun solidariteit en hun medeleven tonen.” Een andere site kopte: “Ze kwamen uit Amsterdam naar Thermopylae voor de vluchtelingen!”

 

Dit bericht staat ook op Joop.nl.

Een gedachte over “Thermopylae

  1. Rob Alberts

    Te veel Nederlanders kijken en denken nog met afschuw naar vluchtelingen.

    Jammer, dit artikel laat zien dat menselijk contact veel problemen kan oplossen.

    Vriendelijke groet,

    Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

* Copy This Password *

* Type Or Paste Password Here *