Sonnet LXVI

Sonnet LXVI is Shakespeares meest politieke sonnet. Wolf Biermann zong het in Oost-Duitsland en gebruikte de tekst om er al zijn boosheid en frustratie over een onrechtvaardig, ontmenselijkend systeem onder te verstoppen. Sjostakovitsj heeft het op muziek gezet, waarschijnlijk om precies dezelfde reden. Helen Vendler noemt het sonnet in haar commentaar een masque, naar de woordeloze spektakels die men in de zestiende eeuw graag optuigde: een optocht van misstanden en kwaden, die aan de spreker voorbijtrekt en waar hij alleen maar van verlost wenst te zijn, totdat hij aan zijn liefde denkt. Daarbij zijn de misstanden ook nog eens zo actueel, dat het lijkt alsof Shakespeare onze tijd beschrijft, met zijn perverse politiek, zijn omkering van waarheid en leugen en zijn misogynie.

Kozintsev, Hamlet (1964)

Het is een sonnet dat in de literatuur betrekkelijk weinig aandacht heeft gekregen, misschien omdat de critici de opsommende vorm, ‘And…, And…, And…’, met steeds één kwaad per regel, te saai of te stijf vonden. Het is ook een gedicht waarbij, zoals we eerder bij sonnetten XXIX en XXX zagen, één lezing zo voor de hand ligt, dat die andere interpretaties onmogelijk lijkt te maken. Die lezing is: het leven is zwaar ruk en je zou er soms van verlost willen zijn, als het niet voor de liefde was. Laten we kijken of we die al te simpele lezing kunnen compliceren.

Je kent mijn methode, Watson (2)

Hoe leer je pubers het verschil tussen convergent en divergent denken? En wat heeft dat te maken met de ruimte die ze hebben voor creativiteit op school? Aansluitend op de vorige blog heb ik het met mijn derdeklassers gehad over de methodische verschillen tussen Sherlock Holmes en de politie. Als Sherlock naast een lijk staat, heeft hij in een mum van tijd een hele reeks hypothesen ontwikkeld, van plausibele verklaringen tot meer exotische redeneringen. De kracht van de BBC-serie met Benedict Cumberbatch (2010-2017) is dat die zulke creatieve, divergente denkmomenten visualiseert, door Sherlocks gedachten op het scherm te projecteren. Later in de aflevering begint hij te convergeren, tot er één verklaring overblijft. ‘When you have eliminated the impossible, whatever remains, however improbable, must be the truth.’

Als politieagenten naast een lijk staan, tenminste in die serie, kunnen ze voor geen meter divergent denken. Ze kiezen de meest voor de hand liggende hypothese, laten ook het bewijsmateriaal in die richting convergeren en ronden dan het onderzoek af. Ze zijn de woordenboekdefinitie van ‘tunnelvisie’.

Je kent mijn methode, Watson (1)

De afgelopen maanden ben ik begonnen met een lessenreeks wetenschapsfilosofie voor alle derde klassen. Daarbij gaat het onder meer over Sherlock Holmes, die zich bij het oplossen van misdaden onderscheidt van de politie door zijn ‘wetenschappelijke’ methode (‘Je kent mijn methode, Watson!’). En die steevast ‘de meester van de deductie’ wordt genoemd, ook door zichzelf. Dat klinkt overtuigend, omdat deductie de meest zekere kennis is die er bestaat. Het is als je uit een algemene regel afleidt (deduceert) wat er een specifiek geval geldt. Bijvoorbeeld: ‘Alle mensen zijn sterfelijk – Socrates is een mens – Socrates is sterfelijk.’ Geen speld tussen te krijgen.

Het probleem is dat je bij het oplossen van een misdaad meestal helemaal niet weet welke algemene regels van toepassing zijn. In die bijzondere gevallen is de zekerheid van deductie ver weg en is een speurneus vaak maar een beetje aan het raden. Niet dat er iets mis is met raden: de Amerikaanse filosoof Charles S. Peirce noemt dat ‘abductie’, als je bijvoorbeeld losse feiten door een vermoeden of een suggestieve hypothese met elkaar verbindt: ‘Wat als het gevonden wapen niet het gebruikte wapen was? Wat als het daardoor geen zelfmoord was, maar moord?’ Abductie biedt net als raden geen zekerheid, maar wel een hypothese die van nut kan zijn bij verder onderzoek.

Kundnani over racisme

Gisteravond hield communicatiewetenschapper Arun Kundnani een ijzersterke lezing over racisme en antiracisme in een vol Spui25. Hij onderscheidde een liberale, individualiserende en moraliserende benadering, die racisme reduceert tot menselijke vooroordelen en angst voor het andere, van de radicale benadering van Anton de Kom, Frantz Fanon en anderen, die hebben laten zien hoe racisme verweven is met het koloniale project en met kapitalistische uitbuiting en om een politieke aanpak vraagt.

Kundnani illustreerde die tegenstelling door te vertellen over zijn bezoek aan Kamp Vught, waar je aan het eind van de expositie in de ‘reflectieruimte’ wordt uitgenodigd om een verbinding met het leven nu te maken. Daar vertelt een man in een video dat hij anders wordt aangekeken vanwege zijn tatouages en een vrouw vanwege haar blonde haar. Ook daar moeten we blijkbaar individueel reflecteren op morele lessen, niet samen in gesprek over de uiterst actuele politieke lessen die uit de kampgeschiedenis te leren zouden zijn. Bijvoorbeeld uit de gevangenschap van Anton de Kom zelf in Vught in 1944, waardoor de verwantschap van nazisme en kolonialisme zichtbaar zou kunnen worden. Of uit het wrange feit dat pal naast het voormalige kamp tegenwoordig een state-of-the-art, hypermodern detentiecentrum te zien is, waar met name extremistische moslims gevangen worden gehouden.

Het Humboldtmuseum of de uitvinding van de meritocratie (2)

Het beeld van Spes achter het huis van Wilhelm von Humboldt in Tegel, Bertel Thorvaldsen, ca. 1817

Net als een klassieke tempel is het kasteel van  Wilhelm von Humboldt kasteel bedoeld als een plaats van transformatie, waarbij het werkelijke een symbool wordt van het hogere. Daarbij is er geen verschil tussen zijn kunstfilosofie en zijn Bildungsfilosofie. “Zichzelf zo tot een symbool van het universum te herscheppen, dat zou de hoogste opgave van de mensheid zijn”: het is een gedachte die “sinds langere tijd mijn lievelingsidee is en voor mij de sleutel van al wat bestaat”.

Het ging Humboldt om de

betrokkenheid op een bovenaardse wereld, die elk naar de aard van zijn geest op een zinnelijke of meer vergeestelijkte wijze, letterlijk of symbolisch kon beschouwen.

Een gezicht op de eeuwigheid: nergens kwam dat duidelijker tot uitdrukking dan in het beeld van Spes, de Romeinse godin van de hoop, op een ionische zuil boven het familiegrafveld achter het huis.

Behalve een tempel en een museum was slot Tegel ook een kasteel. Dat is te zien aan de vier merkwaardige, geprononceerde hoektorens, die Schinkel toevoegde. Zulke torens passen slecht bij het Pruisische classicisme: ze doen eerder denken aan middeleeuwse burchten.

Het Humboldtmuseum of de uitvinding van de meritocratie (1)

Tegel, het kasteel van Wilhelm van Humboldt, litho door Alexander Duncker

Tussen 1820 en 1824 liet Wilhelm von Humboldt zijn familieslot in Tegel verbouwen tot een klassieke tempel en het eerste oudheidkundige museum. Je kunt zowel met stenen als met woorden bouwen, schreef hij in een sonnet, en meer nog dan zijn teksten illustreert het gebouw zijn ideaal van klassieke Bildung (“zelfvorming”, maar ook “hogere cultuur”).

De verantwoordelijke architect was Karl Friedrich Schinkel (1781-1841), bekend van imposante Berlijnse gebouwen met lange rijen zuilen: de Neue Wache op Unter den Linden (1818), het Schauspielhaus (1819-1821) en het Altes Museum (1825-1830). Schinkel was bezig om de hele stad te veranderen in een “Athene aan de Spree” en was de aangewezen man om ook Humboldts huis een classicistische makeover te geven.

Met een toren der winden, waar net als bij het origineel in Athene de geest van Griekse goden omheen waaide, en met grote beelden van mythologische figuren aan de tuinzijde, kreeg de buitenkant van het kasteel een meer klassiek karakter. De grootste veranderingen vonden echter plaats in het interieur. Dat is meteen achter de ingang te zien aan de vestibulum, die met zijn antieke reliëfs en zijn Dorische zuilen herinnert aan de voorhof van een tempel. Schinkel en Humboldt legden de nadruk op de entree als de weg naar een klassiek ideaal, als een inwijding in een hogere wereld en een persoonlijke Bildungsweg.