Hoe leer je pubers het verschil tussen convergent en divergent denken? En wat heeft dat te maken met de ruimte die ze hebben voor creativiteit op school? Aansluitend op de vorige blog heb ik het met mijn derdeklassers gehad over de methodische verschillen tussen Sherlock Holmes en de politie. Als Sherlock naast een lijk staat, heeft hij in een mum van tijd een hele reeks hypothesen ontwikkeld, van plausibele verklaringen tot meer exotische redeneringen. De kracht van de BBC-serie met Benedict Cumberbatch (2010-2017) is dat die zulke creatieve, divergente denkmomenten visualiseert, door Sherlocks gedachten op het scherm te projecteren. Later in de aflevering begint hij te convergeren, tot er één verklaring overblijft. ‘When you have eliminated the impossible, whatever remains, however improbable, must be the truth.’

Als politieagenten naast een lijk staan, tenminste in die serie, kunnen ze voor geen meter divergent denken. Ze kiezen de meest voor de hand liggende hypothese, laten ook het bewijsmateriaal in die richting convergeren en ronden dan het onderzoek af. Ze zijn de woordenboekdefinitie van ‘tunnelvisie’.

