That time of year thou mayst in me behold
When yellow leaves, or none, or few, do hang
Upon those boughs which shake against the cold,
Bare ruin’d choirs, where late the sweet birds sang.
In me thou see’st the twilight of such day
As after sunset fadeth in the west,
Which by and by black night doth take away,
Death’s second self, that seals up all in rest.
In me thou see’st the glowing of such fire
That on the ashes of his youth doth lie,
As the death-bed whereon it must expire,
Consum’d with that which it was nourish’d by.
This thou perceiv’st, which makes thy love more strong,
To love that well which thou must leave ere long.

Wat zegt Shakespeare nou eigenlijk helemaal in dit sonnet? In de voor de hand liggende en populairste interpretatie: ‘ik ben een herfst, ik ben kale takken waar geen vogel meer zingt, ik ben het staartje van een dag en word bijna opgeslokt door de nacht, ik ben een vuur dat nog nagloeit op de as van wat was, maar jij houdt des te meer van me omdat je weet dat ik moet verdwijnen.’ Een melancholische beschouwing over ouderdom en vergankelijkheid dus, waarbij alleen de liefde een beperkt soort van verlossing brengt?
Nee, dat is niet precies wat Shakespeare zegt. Laten we, net als bij de vorige sonnetten, die voor de hand liggende interpretatie een beetje compliceren door de aandacht te richten op een regel die er niet goed in past: ‘When yellow leaves, or none, or few, do hang…’ Als het gedicht alleen zou gaan over onverbiddelijk voortschrijdend verval, dan is hier iets mis met de volgorde. Je zou verwachten dat de dichter je eerst gele bladeren toont, dan een paar, dan helemaal geen, zoals dat gaat in de herfst. Dus waarom heeft Shakespeare die natuurlijke volgorde omgedraaid?
Dit is trouwens de vertaling van Albert Verwey:
Die tijd van ’t jaar is nu in mij verbeeld
Als blaadren, geel of geen of weinig, hangen
Aan takken die de koude wind bespeelt,
Vervallen koor, eens vol van vogelzangen.In mij aanschouwt ge ’t scheemren van een dag
Die na zonsondergang in ’t westen daalt,
Waar zwarte nacht hem wacht in zijn gezag,
Doods tweede zelf, die elk tot rust bepaalt.In mij ontwaart ge ’t flikkren van een vuur
Dat op de jeugdasch gloeit met laatste gloed,
Op ’t doodsbed van zijn stervende natuur,
Met dat verteerd waar ’t eerst door werd gevoed.Dit merkt ge en ’t sterkt uw liefde, die verkiest
Meer te beminnen wat ze eerlang verliest.
Veel commentaren gaan aan de volgorde in die tweede regel voorbij. Een uitzondering is Booth in zijn Essay on Shakespeare’s Sonnets (1969): ‘The order of yellow leaves, none, and few is not at all what might be expected.’ Booths uitleg is dat in deze regel ‘the mind of the beholder is presented with related but not yet strictly ordered objects’ . Hij denkt dat Shakespeare een dichter is die zijn lezers graag aan het werk zet: het is niet genoeg om te kijken naar de beelden die het gedicht presenteert, als lezer moet je ook interpreteren wat je te zien krijgt. Die verklaring bevredigt niet: ze veronderstelt in de eerste plaats een soort van doelbewuste slordigheid, die niet goed past bij Shakespeares gebruik van de taal in het algemeen, en biedt ook weinig inzicht in dit specifieke geval. Is er een meer inhoudelijke verklaring voor de chronologische verwarring die in de volgorde leaves-none-few besloten ligt?
Het thema van het gedicht is de greep van de onherroepelijk voortschrijdende tijd op de hoofdpersoon. Als je erop let, gebeuren er echter vreemde dingen met de chronologie, en niet alleen in die ene regel. Een regel als ‘Bare ruined choirs, where late the sweet birds sang’ speelt ook met de volgorde: hoewel de zingende vogels chronologisch vóór de ‘bare ruined choirs’ horen te komen, verschijnen ze hier pas erna. Net zo mooi en nog geheimzinniger is ‘the glowing of such fire/ That on the ashes of his youth doth lie’. Ik ben geen expert, maar volgens mij kan er strikt genomen geen vonkje meer opgloeien, als er alleen nog maar as over is: dat opgloeiende vuur spot met de natuurwetten.
Wat dit herhaalde spel met de chronologie suggereert is dat het voortschrijden van de tijd minder onherroepelijk is dan het lijkt voor een dichter, die in zijn gedichten de mogelijkheid heeft om de gebeurtenissen anders te ordenen. Hij kan zomaar een paar gele bladeren laten verschijnen aan takken die al kaal waren, vogels laten zingen als hun koren verwoest zijn en vuur laten opgloeien uit de as. Behalve een melancholische beschouwing over vergankelijkheid en over de beperkte kracht van de liefde is dit gedicht daarmee ook, zoals de meeste van de sonnetten trouwens, een lofzang op de poëzie zelf.
