Sonnet LXVI is Shakespeares meest politieke sonnet. Wolf Biermann zong het in Oost-Duitsland en gebruikte de tekst om er al zijn boosheid en frustratie over een onrechtvaardig, ontmenselijkend systeem onder te verstoppen. Sjostakovitsj heeft het op muziek gezet, waarschijnlijk om precies dezelfde reden. Helen Vendler noemt het sonnet in haar commentaar een masque, naar de woordeloze spektakels die men in de zestiende eeuw graag optuigde: een optocht van misstanden en kwaden, die aan de spreker voorbijtrekt en waar hij alleen maar van verlost wenst te zijn, totdat hij aan zijn liefde denkt. Daarbij zijn de misstanden ook nog eens zo actueel, dat het lijkt alsof Shakespeare onze tijd beschrijft, met zijn perverse politiek, zijn omkering van waarheid en leugen en zijn misogynie.

Het is een sonnet dat in de literatuur betrekkelijk weinig aandacht heeft gekregen, misschien omdat de critici de opsommende vorm, ‘And…, And…, And…’, met steeds één kwaad per regel, te saai of te stijf vonden. Het is ook een gedicht waarbij, zoals we eerder bij sonnetten XXIX en XXX zagen, één lezing zo voor de hand ligt, dat die andere interpretaties onmogelijk lijkt te maken. Die lezing is: het leven is zwaar ruk en je zou er soms van verlost willen zijn, als het niet voor de liefde was. Laten we kijken of we die al te simpele lezing kunnen compliceren.
Tir’d with all these, for restful death I cry,
As, to behold desert a beggar born,
And needy nothing trimm’d in jollity,
And purest faith unhappily forsworn,
And gilded honour shamefully misplac’d,
And maiden virtue rudely strumpeted,
And right perfection wrongfully disgrac’d,
And strength by limping sway disabled,
And art made tongue-tied by authority,
And folly, doctor-like, controlling skill,
And simple truth miscall’d simplicity,
And captive good attending captain ill.
Tir’d with all these, from these would I be gone,
Save that, to die, I leave my love alone.
Dit is de vertaling die Alfred Kossmann in 1945 maakte:
Moe van dit alles smacht ik naar de dood.
Zie ik het naakte beedlaarskind versmaad
En schaamle ijdelheid in pronkgewaad
En zuivre trouw meinedig in de noodEn gouden eer aan schooiersvolk vergooid
En deugd door dronken razernij verkracht
En eerlijkheid verbannen en veracht
En kracht door manke willekeur gekooidEn kunst voor blind gezag verlamd en stom
En geest door dwaze wetenschap berecht
En simple waarheid uitgemaakt voor dom
En dienaar goed in dienst van koning slechtDan ging ik gaarne, moe van alles, heen,
Liet ik niet haar van wie ik houd alleen.
Kossmann had in de oorlog in het verzet gezeten, was opgepakt en belandde in Duitse werkkampen, dus hij wist over welke kwaden hij het had.
Een allegorische vorm
Volgens Vendler is die saaie, stijve vorm een weloverwogen keuze. Als de macht de kunst verlamd en stom heeft gemaakt, dan kan het sonnet eenvoudigweg niet welluidend klinken. Bedoelt Vendler dat Shakespeare doelbewust met een verlamde pen een gedicht schreef waarvan hij zelf ook wel wist dat het oersaai was? Alsof hij Adorno had gelezen, die stelde dat er na Auschwitz geen poëzie meer mogelijk was? Ik geloof er niks van. Deze opsomming van abstracte termen past eerder bij een oude stijlvorm, waar we vandaag de dag het gevoel voor hebben verloren, die voor ons al snel onnatuurlijk en gekunsteld klinkt en die we alleen daarom saai vinden: de allegorie.
De allegorie gaf aan levenloze dingen en abstracties een schijn van persoonlijkheid, door ze met een hoofdletter te schrijven. Inderdaad, precies zoals Shakespeare in de oorspronkelijke editie van dit sonnet heeft gedaan: ‘…needie Nothing… And Folly (Doctor-like)… And simple Truth.’ Dat detail missen veel commentatoren, die ‘desert’ (verdienste) duiden als een synecdoche, ‘degenen die zich verdienstelijk hebben gemaakt’, ‘iemand die iets verdient’, terwijl het in een allegorie juist niet om mensen, maar om dingen gaat. Zoals Walter Benjamin opmerkt is het geheim van de allegorie niet dat ze dingen vermenselijkt, maar dat ze de ontmenselijkende macht die dingen over ons hebben alleen maar meer benadrukt door ze als personages op te voeren. Hij wijst erop dat de ‘onhandige zwaarwichtigheid, die men meestal op het conto van onbegaafde kunstenaars of geestloze opdrachtgevers schreef, juist nodig is voor de allegorie.’ Kortom, de repetitieve stijl van het sonnet drukt niet zozeer uit hoe een verlamde tong klinkt, maar eerder hoe het kwaad zich manifesteert in een wereld waarin het een van mensen vervreemde macht lijkt te hebben gekregen.

Een melancholische stemming
Verder doet deze allegorische opsomming van kwaden sterk denken aan alle persoonlijke en politieke redenen die het volgens Hamlet (III.i) aantrekkelijk maken om de hand aan jezelf te slaan:
For who would bear the Whips and Scorns of time,
The Oppressor’s wrong, the proud man’s contumely,
The pangs of despised Love, the law’s delay,
The insolence of office, and the spurns
That patient merit of th’unworthy takes,
When he himself might his Quietus make
With a bare Bodkin?
Deze overeenkomst raakt aan een diepere laag van sonnet 66, namelijk dat het een door en door melancholisch sonnet is, zoals Hamlet een door en door melancholisch personage is. De allegorische blik is een melancholische blik, een blik waarin de wereld haar menselijkheid en haar natuurlijkheid verliest en als een opeenstapeling van holle, geestloze dingen, als een ruïne verschijnt. Freud heeft laten zien dat melancholie een vorm van liefde is, een gehechtheid aan een verloren object, maar net als Hamlet laat dit sonnet zien dat melancholie ook een felle aanklacht is, die haarscherp al het onrecht hekelt dat die liefde bedreigt. De afbeelding helemaal boven, een screenshot uit Kozintsevs beroemde verfilming van Hamlet, laat dat zien. De hoofdpersoon is in zijn melancholie verzonken, maar de andere hovelingen vluchten voor hem weg alsof ze bang zijn dat zijn waanzin hun wandaden zal blootleggen.
De moraal van het sonnet is dus niet simpelweg dat het leven ruk is en dat er gelukkig ook nog zoiets als liefde is, maar ook, op een dieper niveau, dat de liefde in haar melancholische vorm een politieke kracht kan zijn, die het onrecht van deze wereld aan de kaak stelt.
