Je kent mijn methode, Watson

De afgelopen maanden ben ik begonnen met een lessenreeks wetenschapsfilosofie voor alle derde klassen. Daarbij gaat het onder meer over Sherlock Holmes, die zich bij het oplossen van misdaden onderscheidt van de politie door zijn ‘wetenschappelijke’ methode (‘Je kent mijn methode, Watson!’). En die steevast ‘de meester van de deductie’ wordt genoemd, ook door zichzelf. Dat klinkt overtuigend, omdat deductie de meest zekere kennis is die er bestaat. Het is als je uit een algemene regel afleidt (deduceert) wat er een specifiek geval geldt. Bijvoorbeeld: ‘Alle mensen zijn sterfelijk – Socrates is een mens – Socrates is sterfelijk.’ Geen speld tussen te krijgen.

Het probleem is dat je bij het oplossen van een misdaad meestal helemaal niet weet welke algemene regels van toepassing zijn. In die bijzondere gevallen is de zekerheid van deductie ver weg en is een speurneus vaak maar een beetje aan het raden. Niet dat er iets mis is met raden: de Amerikaanse filosoof Charles S. Peirce noemt dat ‘abductie’, als je bijvoorbeeld losse feiten door een vermoeden of een suggestieve hypothese met elkaar verbindt: ‘Wat als het gevonden wapen niet het gebruikte wapen was? Wat als het daardoor geen zelfmoord was, maar moord?’ Abductie biedt net als raden geen zekerheid, maar wel een hypothese die van nut kan zijn bij verder onderzoek.

De abductie van Peirce heeft nooit het wetenschappelijke aanzien van deductie verworven, misschien omdat onderzoekers niet graag toegeven dat ze aan het raden zijn. ‘Ik raad nooit’, zegt Sherlock Holmes. Alleen doet hij dat voortdurend, als je zijn verhalen goed leest of de briljante BBC-serie met Benedict Cumberbatch kijkt. Sterker nog, abductie is juist wat hij doet op de momenten waarop hij het meest creatief is in zijn denken, waarop hij nieuwe mogelijkheden ziet die anderen missen en denkwegen opent die voor de politie gesloten blijven. Umberto Eco heeft daar in essays over Holmes op gewezen (lees vooral de bundel Sebeok – Sign of Three). Zijn beroemde monnik-detective in De naam van de roos (‘William van Baskerville’, een verwijzing naar het Holmesverhaal ‘The Hound of the Baskervilles’) maakt veelvuldig gebruik van creatieve abductie.

Kortom, de methode die Sherlock openlijk aanhangt is een andere dan de methode die hij meestal toepast. Hij doet iets anders dan hij zegt te doen. Deze kloof tussen zeggen en doen is volgens mij symptomatisch voor een meer algemene kloof: tussen het verheven ideaal en de rommelige werkelijkheid van wetenschappelijk denken, tussen de strenge normen en methoden die we met wetenschap associëren en de praktijk van creatieve denkers als Sherlock Holmes en Umberto Eco.

Dat roept ook een pedagogisch-didactische vraag op. We zijn het er in het onderwijs allemaal over eens dat we leerlingen vertrouwd moeten maken met ‘wetenschappelijk denken’, maar voor welk denken kiezen we dan? Voor het normatieve ideaal of voor de rommelige praktijk? Wat mij betreft, ik laat me voor mijn lessen niet alleen inspireren door Sherlock en Eco, maar ook door een beroemde TED-talk van Ken Robinson. Hij stelt dat de nadruk op zekere, deductieve kennis in onderwijs en wetenschap juist ten koste van de ruimte voor creativiteit gaat. En dat het hoog tijd is om die balans te herstellen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

* Copy This Password *

* Type Or Paste Password Here *