De afgelopen maanden ben ik begonnen met een lessenreeks wetenschapsfilosofie voor alle derde klassen. Daarbij gaat het onder meer over Sherlock Holmes, die zich bij het oplossen van misdaden onderscheidt van de politie door zijn ‘wetenschappelijke’ methode (‘Je kent mijn methode, Watson!’). En die steevast ‘de meester van de deductie’ wordt genoemd, ook door zichzelf. Dat klinkt overtuigend, omdat deductie de meest zekere kennis is die er bestaat. Het is als je uit een algemene regel afleidt (deduceert) wat er een specifiek geval geldt. Bijvoorbeeld: ‘Alle mensen zijn sterfelijk – Socrates is een mens – Socrates is sterfelijk.’ Geen speld tussen te krijgen.
Het probleem is dat je bij het oplossen van een misdaad meestal helemaal niet weet welke algemene regels van toepassing zijn. In die bijzondere gevallen is de zekerheid van deductie ver weg en is een speurneus vaak maar een beetje aan het raden. Niet dat er iets mis is met raden: de Amerikaanse filosoof Charles S. Peirce noemt dat ‘abductie’, als je bijvoorbeeld losse feiten door een vermoeden of een suggestieve hypothese met elkaar verbindt: ‘Wat als het gevonden wapen niet het gebruikte wapen was? Wat als het daardoor geen zelfmoord was, maar moord?’ Abductie biedt net als raden geen zekerheid, maar wel een hypothese die van nut kan zijn bij verder onderzoek.

